Waarom zou ik nog cynisch zijn?

Vandaag Ivo Niehe in de laatste aflevering van de serie over de zeven hoofdzonden.

„Kritiek op mijn werk vind ik geen punt. Kritiek op mijzelf is vaak ongenuanceerd.”

fotografie Lars van den Brink, onderwerp: Ivo Niehe

„Ik stond in het Carré van Parijs, en het werkte. Het publiek was stomverbaasd. Iemand die zich zo goed in hun cultuur had verdiept. Een Nederlander! De zaal reageerde massaal. Honderden voorstellingen heb ik in mijn leven gespeeld, maar deze was ongelooflijk. Letterlijk ongelooflijk.

„Bedenk, de generale repetitie was slecht gegaan. Zo slecht dat ik bij mezelf dacht: hier hadden we nooit aan moeten beginnen. Maanden voorbereiding, maanden werk. Gedoe. Gezeik over auteursrechten, advocaten.

„Na de voorstelling was ik buiten mezelf van vreugde dat het gelukt was. Had mijn vader nog geleefd, dan was dit het hoogtepunt van zijn leven geweest. En in die ridicule euforie, de adrenaline van het optreden nog in mijn bloed, werd ik live doorverbonden met Nederland. De studio van Pauw en Witteman.

„Bedenk, de verbinding was slecht, ik kon de studio amper horen. Dan blijf je doorpraten.

„Bedenk, tien minuten later, na een afkoelend biertje aan de bar, had ik anders gereageerd.

„Bedenk, er was op dat moment even helemaal geen ander nieuws, dan wordt iets gauw opgeblazen.

„En toen die zin. ‘Het was unaniem een belachelijk groot succes.’ Nooit over jezelf zeggen dat iets waarzinnig geslaagd is, dat is een wet. Maar iedereen van het gezelschap zei het na afloop tegen elkaar. Dus toen ik voor de camera van Pauw en Witteman stond, zat die zin nog in mijn hoofd. Unaniem een belachelijk groot succes.

„De kritiek die ik daarna over me heen kreeg, was ongekend. Ik keek op Twitter, voor het eerst in mijn leven, en ik dacht: de man die daarop beschreven wordt, herken ik helemaal niet.

„ ‘Welkom bij de club’, zei Herman van Veen. Hij hing nog diezelfde avond aan de lijn. Hij zei: als iets echt lukt, wordt dat niet geaccepteerd. Ook Mies belde me meteen op. Ik kreeg e-mails van Arthur Japin.

„Succes maakt niet per definitie sympathiek. En er hangt wel een zweem van succes om ons heen. Dit bedrijf gaat goed, de programma’s gaan goed, het theater loopt goed. Anderen vinden dat misschien niet prettig. Ze zien zichzelf erin. Ze zien dat ze minder kansen hebben gekregen dan ik.

„De kloof tussen kansarm en kansrijk is een groot maatschappelijk probleem. Ooit maakte ik filmopnames in een Thais dorp waar nog geen communicatie met de buitenwereld was. Die mensen waren intens gelukkig. Een paar jaar later kreeg het dorp elektriciteit en een televisie. Hun eerste kennismaking was met Dallas. Dure auto’s, mannen die vreemdgingen. Hun geluk was in één klap over.

„De zaak gaat in Nederland ook nog eens ontsporen. Kijk naar Twitter. Dat is een uitlaatklep voor iedereen met een minderwaardigheidscomplex. En op televisie word je voortdurend geconfronteerd met de mogelijkheden van een ander. Zeker, ook ik draag daaraan bij. In de TV Show toon ik de duurste huizen. Het kan niet anders. Wil je weten wie iemand is, dan moet je de kleur van zijn bank kennen. Beroemde mensen hebben meestal een mooie bank.

„Vaak is de kritiek dat ik alleen even bij mensen binnen kijk en geen kritische vragen stel. Kritisch zijn kán ik wel. Cynisme was vroeger mijn handelsmerk. Maar waarom zou ik nog? Ik ben gelukkig. En het is veel makkelijker om negatief te doen dan om een programma te maken waarvan je geïnspireerd raakt.

„Maar ik begrijp het wel. Journalistiek is natuurlijk per definitie negatief. Het slechtste nieuws is het beste nieuws. Dat is hoe de journalistiek werkt. En word je geboren met een normaal hoofd, kom je uit een normaal gezin en heb je een redelijke opleiding genoten, dan ben je bij een bepaald deel van het journaille al verdacht. Dat heeft een bekende cabaretier weleens tegen mij gezegd.

„Journalisten houden meer van de hardwerkende, knokkende jongen uit het kansarme gezin. Nou, dat ben ik gewoon niet. Het is mij schijnbaar allemaal komen aanwaaien. Ik wacht altijd in mijn leven totdat ik ergens voor gevraagd word. Eerst voor de schoolband: dat werd zo’n succes dat we vier keer per week optraden. Daarna als fotomodel: maandenlang zat ik in Barcelona en Parijs. Op mijn 27ste ben ik gevraagd voor de televisie en op mijn 59ste voor het theater. En elke keer als ik aan iets nieuws begon, ging ik ervoor. Tachtig uur per week.

„Kritiek op mijn werk vind ik geen punt. Kritiek op mijn persoon, die steeds vaker klinkt, is vaak ongenuanceerd. Mensen proberen op iemands hoofd te gaan staan om zelf langer te lijken. Ze willen zichzelf profiel verschaffen. Ach, het is maar wat het waard is. Die televisierecensenten zitten niet in de top van de journalistiek. Die willen zichzelf profileren. En doorgaans zijn ze ook nog behoorlijk pissed over het grote veld dat jij mag bestrijken, de miljoenen mensen die jouw opstel lezen.

„En toch, ik ben geen volksheld. Ik liep eens met Ron Brandsteder door de Kalverstraat toen er een groepje van vijf meiden op ons afkwam. ‘Hee Ronnie’, riepen ze. Pas vijftig meter verderop hoorde ik ‘Ivo’.

„Piet Keizer, een hautaine voetballer, had hetzelfde. Hij creëerde afstand. Net als Harry Mulisch. Wandelde die met Hans van Mierlo ergens binnenliep, riep iedereen ‘Hans, Hans’ en niemand ‘Harry’.

„Bekendheid in Nederland levert niets op. Alsof een musicus zich uit de naad speelt in een zaal vol doven. Kijk naar Marco Kroon. Die krijgt de Militaire Willemsorde, de allerhoogste onderscheiding. En het enige wat iedereen denkt: oh goddank, we vinden bij hem een vuiltje.

„Waarom gunnen we het Frans Bauer en Nick en Simon wel? Vraag de fans van Frans Bauer wat ze van hem vinden en 80 procent zal zeggen: hij is zo lekker gewoon gebleven. Dat is onze volksaard. Dat is wat wij willen. Du moment dat je daarbuiten treedt, zit je in de gevarenzone.

„De Fransen kennen geen jalousie, die kennen stardom. Vraag de Fransen naar hun idolen en ze komen met een waslijst. De nieuwslezer van de televisie, iemand die niets anders doet dan het nieuws voorlezen, is er beroemder en geliefder dan de president.

„Ik ben naar een voorstelling geweest van Charles Aznavour. Een man van 87 jaar die overal twee tonen naast zingt. Maar de Fransen vinden hem geweldig. Fransen houden van sterren. Roem betekent in een land met 65 miljoen mensen nu eenmaal meer dan in een land met 17 miljoen mensen. Ze denken: wie in zo’n groot land komt bovendrijven, die móét wel iets betekenen.

„Waar ik echt niets van begrijp is de kritiek op mijn talenkennis. In het buitenland word ik daar enorm om gewaardeerd. Mensen vinden het prachtig als ze in hun eigen taal behoorlijk worden geïnterviewd. En toen Chirac Nederland bezocht was het zelfs een voorwaarde. Hij wilde alleen geïnterviewd worden door iemand die én bekend was én veel kijkers trok én goed Frans kon.

„Maar als ik een keer gevraagd word om een Franse filmregisseur interviewen, dan staat de volgende dag in De Telegraaf: ‘Ivo koketteerde nog even met zijn perfecte Frans’.

„Dat vind ik echt frappant. Hoe komen ze erop? Iedereen kan een taal leren. Toevallig heb ik er een beetje gevoel voor. Spaans heb ik geleerd door twee jaar een Teleaccursus te doen. Elke zaterdag zat ik om acht uur ’s ochtends voor de televisie. Maar dat je vanwege je eigen luiheid weigert een vreemde taal te leren en intussen wel afgeeft op een ander, dat is wel typisch Nederlands hoor. Laat vooral niet zien dat je wat kan.”

    • Freek Schravesande