Sociale media in 2011 cruciaal voor rampen, revoluties en rellen

In de nacht van 27 op 28 januari kwam het internetverkeer in Egypte bijna tot stilstand. Een reactie van de inmiddels afgezette alleenheerser Mubarak op aanhoudende protesten via Facebook en Twitter. Een bevestiging ook van de democratische kracht ervan.

Al snel kwam de internetgemeenschap met oplossingen om blokkades te omzeilen. De actiegroep WeRebuild wees via het chatkanaal IRC op alternatieve internettoegangspoorten. En Acces Now zorgde ervoor dat mensen wereldwijd hun bandbreedte konden uitlenen aan mensen in censuurstaten.

Slim Amamou, een Tunesische internetactivist, maakte zichzelf zo populair dat hij even de post van staatssecretaris Jeugd en Sport kreeg in de nieuwe regering. Wael Ghonim, een Egyptische Google-medewerker, mobiliseerde vanaf het begin steun voor hem. Zelf werd hij ook een fenomeen toen hij twaalf dagen vast zat.

Claim de revolutie op internet

Het was niet de eerste keer dat er over een internetrevolutie werd gesproken. In 2009 zou er al sprake van zijn in Iran. Wetenschapsjournalist Malcolm Gladwell maakte bezwaar. Niet technologie maakt de revolutie, schreef hij in The New Yorker, maar de mensen en hun problemen. “In het Oost-Duitsland van de jaren tachtig had vrijwel niemand een telefoon. Toch kwamen honderdduizenden mensen in het centrum van Leipzig tezamen om een regime ten val te brengen waarvan we dachten dat het nog honderd jaar stand zou houden. En tijdens de Franse Revolutie werd er gecommuniceerd via iets dat ooit bekend stond als de menselijke stem.”

Gladwell relativeerde ook de Egyptische internetrevolutie. Dat kwam hem op een tweet van Ghonim te staan. “Hey @Gladwell. #Jan25 bewijst dat je fout zat”, schreef de internetactivist. “Revolutie kan wel degelijk een Facebook-evenement zijn. Eén die gesteund, gedeeld en ge-tweet wordt.” Het ‘grote claimen’ begon eigenlijk al op de eerste dag van het Egyptische protest. Ghonim uitte via Twitter zijn irritatie over politici die de revolutie naar zich toetrekken en suggereren dat ze namens het volk spreken. “Rot op. 25 januari is van ons!”

Of Twitter en Facebook nu wel of niet de Arabische Lente initieerden, zeker is dat ze het venster vormden voor de buitenwacht. Slachtoffers van de regimes groeiden uit tot interneticonen. Zoals Khaled Said, een 28 jarige man die door de Egyptische politie werd doodgeschopt. Als Facebook-pagina, met honderdduizenden discussierende volgers, leefde hij voort.

Tsunami-alarm en mensenvinder

Twitter bleek dit jaar niet alleen een opruiend instrument, maar ook een alternatief tsunami-alarm. Een uur na de aardbeving stuurden mensen uit Tokio 1.200 tweets per minuut. Het Crisis Response Team van Google lanceerde een ‘Person Finder’. En het Rode Kruis ging met de collectebus rond op Facebook. Nooit eerder speelden sociale media zo’n grote rol bij een ramp.

ESRI, een grote ontwikkelaar van geografische informatiesystemen, publiceerde een kaart waarop seismologische activiteit en berichten op sociale media gecombineerd werden. “Het doel van deze website is om op grote schaal het publiek te informeren over de zwaarst getroffen gebieden en herstelplannen te vergemakkelijken”, lichtte ESRI toe.

Ook ontwikkelaars van internetspellen wierpen zich op de ramp. Zynga, bekend van de spellen FarmVille en CityVille, besloot alle opbrengsten van virtueel verkochte goederen (zoals digitaal graan) ten goede te laten komen aan het Save the Children’s Japan Earthquake Tsunami Emergency Fund. Een soortgelijke actie haalde eerder miljoenen dollars voor Haïti op.

De kracht van sociale media is overheden niet ontgaan. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gebruikte Twitter om landgenoten in Japan te informeren over crisisdiensten en moedigde hen aan om persoonlijke contactinformatie door te geven. Sociale media bleken niet alleen een geëigend middel voor donaties en hulpverlening, maar ook een volwaardig communicatie-instrument als bellen en sms’en niet meer lukt. En dat was in Japan het geval.

Twitter helpt journalisten aan informatie over de situatie in een rampgebied en getroffenen aan evacuatiemogelijkheden, schuiladressen en hulplijnen. Maar dan moeten niet-betrokkenen wel even offline als er een aardbeving in Japan plaatsheeft. Hun gebabbel over Tokyo zorgt voor hinderlijke ruis. Om echte getuigen van meepraters te onderscheiden pleitte internetexpert Jeff Jarvis voor een speciale getuigen-tag. Heel simpel: ‘#jpquake’ voor discussie over de aardbeving en ‘!jpquake’ voor berichten ter plaatse. Nu de berichtendienst steeds belangrijker wordt voor hulpverlening en nieuwsgaring is een dergelijke standaardisatie van groot belang, aldus de auteur van What Would Google Do. Geocoding, het automatisch doorzenden van de coördinaten, bestaat reeds. Maar die optie staat niet standaard aan vanwege de privacy.

Sociale media als opsporingsmiddel

De vrijheid van sociale media trok dit jaar ook mensen met minder nobele bedoelingen aan. Vrijwel direct na de dood van Osama bin Laden verscheen er op Facebook een pagina met de titel ‘Wij zijn allemaal Osama bin Laden’. In enkele uren kreeg het initiatief meer dan tienduizend steunbetuigingen.

Nog dezelfde dag verdween de pagina. Waarschijnlijk omdat de pagina in strijd was met Facebooks artikel 3.7. Content die ‘hatelijk’ is, ‘bedreigend’ of ‘tot geweld aanzet’ is verboden. In rap tempo werden er zes nieuwe ‘Wij zijn allemaal Osama bin Laden’-pagina’s aangemaakt.

Daags voor deze activiteit werd een tweet van IT-consultant Sohaib Athar legendarisch. Om 01.00 uur lokale tijd maakte hij gewag van een helikopter boven zijn stad, het Pakistaanse Abbottabad. “Ga weg helikopter”, grapte hij. “Voordat ik mijn grote vliegenmepper pak.” Even later trilden zijn ramen van een grote explosie. “Ik hoop niet dat het de start is van iets vuils”, twitterde hij. Daarna schreef hij dat er een vliegend object is neergestort. “Mensen zeggen dat het misschien een onbemand vliegtuigje was.” Pas de volgende dag begreep hij wat hij gezien had. “Uh oh, nu ben ik de man die live over de Osama-inval heeft geschreven zonder het te weten.” Het leverde hem in een halve dag 20.000 extra volgers op.

Tijdens de rellen in Londen, deze zomer, tartte vooral de ping-service van de BlackBerry-telefoon de autoriteiten. Jongeren konden zich op die manier organiseren zonder dat de politie wist wie erachter zat. Twitter speelde nauwelijks een rol, en burgemeester Boris Johnson voelde er ook weinig voor om deze dienst af te sluiten. Het zou juist handig voor de opsporing zijn. New York Times-verslaggever Scott Shane vroeg zich af waarom Arabische dictators dat niet inzien. “Facebook is een geweldige database voor de overheid”, zo citeert hij een Syrische activist.

Vrees voor de internetschakelaar

Terug naar Mubarak. Hoe kreeg hij het voor elkaar internet ‘uit te zetten’? Volgens de Amerikaanse website Slate was een telefoontje naar vier internetaanbieders voldoende: Link Egypt, Vodafone/Raya, Telecom Egypt and Etisalat Misr. “Een technicus hoeft alleen maar een aantal regels code te veranderen”, schreef Christopher Beam uit. Vervolgens kan niemand meer verbinding maken met de provider. “De Egyptische wetgeving geeft autoriteiten het recht om een dergelijke beslissing te nemen”, excuseerde het hoofdkantoor van Vodafone in Londen zich. “We zijn verplicht hieraan te voldoen.” 88 procent van de netwerken zou volgens The Wall Street Journal uit de lucht gehaald zijn.

Daniel Karrenberg van RIPE NCC (de beheerder van IP-adressen in Europa en het Midden-Oosten) zei in de Canadese National Post dat het sluiten van internet relatief eenvoudig was in Egypte omdat de markt verouderd is. “Hoe eenvoudiger de topologie, hoe minder providers er zijn, hoe makkelijker het is voor een regering of telecomprovider controle te krijgen over de internettoegang in een bepaald gebied.” Een diverse telecommarkt heeft een veel fijnmaziger netwerk, aldus Karrenberg.

In westerse democratieën is het afsluiten van internet niet alleen moeilijker door de vele providers, maar ook door communicatiewetgeving waaraan een regering zich te houden heeft. In juni 2010 diende de Republikeinse Susan Collins met Joe Lieberman (onafhankelijk) en Tom Carper (Democraat) een wetsvoorstel in waarin een zogeheten ‘kill switch’ werd opgenomen die alleen de president zou mogen bedienen als de VS via internet aangevallen wordt. Lieberman probeerde het beeld van een ‘kill switch’ te pareren, maar faalde daarin jammerlijk door te stellen dat dergelijk beleid in China heel gebruikelijk is.

Eerder in deze serie:
2011, het jaar van de tirades tegen sociale media

    • Steven de Jong