In tijden van crisis, lees Steinbeck en Fallada

Een fikse crisis is een goudmijn voor de literatuur. Wat leren we, vraagt Maartje Somers zich af, van romans uit de grootste depressie van de vorige eeuw?

An old soldier attends a rally in Wukan, a fishing village in the southern province of Guangdong on December 17, 2011. Thousands of residents of a village in southern China that has become a symbol of public fury over official corruption turned out December 16 to mourn a community leader who died in police custody. CHINA OUT AFP PHOTO AFP

Het cliché dat een Slechte Jeugd een goudmijn is voor een schrijver, valt zonder veel problemen te transponeren naar een Slechte Tijd. Lees of herlees crisisromans uit de jaren dertig, de diepste depressie van de vorige eeuw, en je valt van de ene verbazing in de andere. Ook slechte tijden zijn duidelijk een goudmijn voor de literatuur. En nu sociale vangnetten scheuren leest literatuur uit een tijd dat sociale vangnetten nog niet bestonden, als pas geschreven.

De Duitser Hans Fallada ving bijvoorbeeld de taal van sanering in zijn roman Kleiner Mann, was nun (1932), onlangs in vertaling heruitgegeven. In de meststoffenhandel waar ‘kleine man’ Pinneberg voortdurend op de wip zit, zegt de opzichter dingen als: ‘waar er drie lui zijn, kunnen er twee ijverig zijn’. In The Grapes of Wrath (1939), John Steinbecks epos over pachters die tijdens de Grote Depressie de Dust Bowl ontvluchtten, maken zelfs de ‘mannen in de lichte pakken’, met macht en geld, zich zorgen over het systeem dat toch zo goed leek te draaien. Ze zijn ‘bezorgd omdat de formules niet langer werken’. Ze zijn ‘hongerig naar zekerheid, maar ze voelen hoe dit van de wereld verdwijnt.’

Natuurlijk, dit zijn twee totaal verschillende boeken. The Grapes of Wrath herlezen na Kleiner Mann, was nun? dat is zoiets als een helder stroompje uit de kraan verruilen voor het geweld van een waterkanon. Fallada vertelt hoe Pinneberg en zijn vrouw, Lämmchen, proberen om omhoog te krabbelen, tegen de recessie in. Steinbeck verhaalt via de familie Joad van de exodus van een kwart miljoen boeren. Steinbeck schreef een portret van rauw kapitalisme, Fallada tekent de onder economische druk verkruimelende bourgeoisie. Maar toch: dit zijn twee romans die alleen over de onderkant gaan, de slachtoffers van de crisis, twee monumenten voor de economisch overtolligen. De personages komen op de bodem terecht – en vallen daar dan doorheen.

Dikke boeken zijn het, want een economische doodsstrijd duurt lang. Men kan, schrijft Fallada ‘zijn dromen nu eenmaal niet zomaar vaarwel zeggen in deze wereld’. Telkens richten de personages zich weer op, ze blijven hopen op een menswaardig bestaan. Hun honger én hun dromen – een wit huisje voor ma, school voor de kinderen en vast werk voor de mannen – houden de Joads gaande. Ook de dromen van Fallada’s Pinnebergs gaan opwaarts, keurig zoals het kapitalisme voorschrijft. Maar de werkelijkheid van de recessie biedt hen enkel stagnatie of neergang. Ze kunnen een beetje naar links, een beetje naar rechts, maar nooit omhoog. Ze hebben geen werkelijke speelruimte, ze verliezen juist telkens een beetje terrein. Totdat, uiteindelijk, de echte val begint.

Als Hans Fallada’s boek begint, moeten de Pinnebergs trouwen omdat zijn vriendin Engeltje zwanger is. Eerst wonen ze in het provinciestadje Lucherow, waar Pinneberg werkt als handelaar in meststoffen. Na zijn ontslag verhuizen ze door toedoen van Engeltje naar Berlijn. Maar in de grote stad, als verkoper in een warenhuis, maakt de kleine, bange Pinneberg bij economische tegenwind geen schijn van kans. Het duurt niet lang of op de werkvloer worden de duimschroeven weer aangedraaid. Voortaan moeten de verkopers tegen elkaar concurreren, en Pinneberg redt het niet. ‘Pinneberg heeft geen ruggegraat, en is te slap. Als ze op hem drukken, geeft hij teveel mee, blijft er niets van hem over en zakt hij als een zoutzak in elkaar.’

Kleiner Mann, was nun? is een kroniek van radeloosheid. Zó bang is Pinneberg om te falen, dat hij faalt. ‘Raus aus der Angst’ wil hij, maar er zijn te weinig kansen om niet bang te hoeven zijn. Langzaam maar zeker, en bij ieder falen, internaliseert Pinneberg zijn armoede verder. Hij vlakt zichzélf uit. ‘Ja, hij was een zielige kleine man, die zijn stem moest verheffen en zijn ellebogen nodig had om zijn plaatsje in het leven te kunnen handhaven. Maar verdiende hij dat plaatsje wel?’

De Pinnebergs kunnen zich de stad niet meer veroorloven en komen in een tuinhuis aan de rand van Berlijn terecht, teruggeworpen op het platteland. Het boek culmineert in de scène waar Pinneberg, toegevoegd aan het leger werkelozen, in de stad bij een opstootje terecht komt en door een agent wordt weggejaagd. Niemand ziet hem nog staan, maar opeens ziet hij zichzelf, weerspiegeld in een etalage: ‘een bleke schim zonder boord, met een sleetse winterjas en een broek met teervlekken en platgetrapte schoenen.’ En plotseling ‘begrijpt Pinneberg alles’. Men jaagt hem terecht weg. ‘Hij is gestruikeld, aan lagerwal geraakt, afgeschreven.’

John Steinbecks Joads hebben voor al deze reflectie geen energie meer. Voor hen is het eten of gegeten worden. Eenmaal van hun land gegooid zijn ze als de schildpad die zoon Tom Joad opraapt aan het begin van het boek. Telkens als je hem neerzet, begint die schildpad koppig te lopen, vervolgt hij de weg die hij kennelijk in zijn kop had. Net zo klimmen de Joads, hoeveel waarschuwingen, tegenslagen en slechte voortekenen Steinbeck ze ook te verstouwen geeft, elke keer op hun vrachtwagen om verder te trekken. Maar kans op een nieuw bestaan krijgen ze niet of nauwelijks. Als ze al mogen werken, tegen een hongerloon, dan worden ze geacht dit als een gunst te zien. Na honger is uitsluiting het gezicht van een recessie, lieten Fallada en Steinbeck al zien: geen toegang hebben tot een spel dat steeds minder mensen mogen spelen.

De Joads zijn te gehard om bang te zijn, maar overleven nauwelijks. Met zijn twaalven gaan ze op weg, maar de familie, verjaagd van de grond waar ze op woonde, desintegreert snel. Nog maar met zijn vijven zijn ze, als ze, op de vlucht voor een overstroming, eindigen in een stal, op een lap onder het stro. Daar geeft de dochter, overlopende van melk nadat ze een dood kind heeft gebaard, de borst aan een uitgehongerde man die ouder is dan zijzelf.

Deze aangrijpende scène is vanwege de naastenliefde geïnterpreteerd als een teken van hoop, maar waarom? De moedermelk gaat de verkeerde kant op. Niet voort, naar de volgende generatie maar terug, naar een stervende. De Joads eindigen als dieren: enkel nog bezig met primaire fysieke behoeften: een plek in het stro, een kruimel te eten. Nog een paar hoofdstukken en ze waren elkáár gaan eten. Niets dan uitputting en honger wacht ze in Californië, hun beloofde land.

Steinbeck schreef The Grapes of Wrath, zijn eigen Boek Exodus, met een bijbel in de hand. Maar hij was ook journalist: hij baseerde het boek op verhalen over arbeidsmigranten die hij voor de San Francisco Chronicle schreef. Steinbeck beschreef wat hij zag, maar hij wist ook dat wat hij zag groter was dan de krant kon vatten. ‘I’m trying to write history when it is happening, and I don’t want it to be wrong. It is a mean, nasty book,’ schreef hij.

Misschien zijn goed en kwaad, op zijn bijbels, in The Grapes of Wrath naar hedendaagse maatstaven te overzichtelijk verdeeld – de Joads, moeder Joad voorop, zijn meesters in conflicthantering, acceptatie en opoffering. Maar als aanklacht tegen het rauwe kapitalisme in de landbouw blijkt het boek net zo actueel als in de jaren dertig. Natuurlijk, anders dan in de dagen van Steinbeck genieten boeren in het Westen nu subsidie en bescherming; er is een vangnet. Land- en seizoenarbeiders in China, Azië, Afrika en Latijns Amerika hebben zo’n vangnet doorgaans niet, en leven nog al te vaak Joad-achtige levens, illegaal en rechteloos als Steinbecks familie, gehaat door lokale gemeenschappen. In Californië zijn de ‘Okies’, de straatarme fruitplukkers uit Oklahoma, Latijns-Amerikanen geworden, maar veel veranderd is er verder niet. De meesten van ‘s werelds armen op het platteland zíjn kleine boeren, de meesten van de stedelijke armen wáren kleine boeren. In India pleegt elk half uur een boer zelfmoord, omdat zijn grond, net als die van de Joads, is uitgeput en hij zijn schulden niet kan afbetalen. De concentratie in grondbezit en agribusiness is alleen maar toegenomen en is nu mondiaal. Gestegen voedselbehoefte en voedselspeculatie stimuleren de huidige ‘landgrab’, waarbij de informele grondrechten van kleine boeren niet tellen als grote spelers hun oog op een gebied hebben laten vallen.

Heel Steinbeckiaans was bijvoorbeeld het nieuws uit het Zuid-Chinese dorp Wukan. Daar werd een lokale leider die de bevolking aanzette tot verzet tegen illegale landroof, gearresteerd en waarschijnlijk doodgeslagen in zijn cel. Bijna precies zoals de gewezen priester Casy in The Grapes of Wrath, die aanzet tot verzet tegen de erbarmelijke lonen op een perzikplantage en wordt doodgeslagen door de knokploeg van een landbouwmagnaat.

Maandenlang verzetten de bewoners van Wukan zich tegen de de illegale verkoop van hun land aan projectontwikkelaars door corrupte lokale bestuurders. In september joegen ze de communistische leiders het dorp uit, en wezen zelf nieuwe leiders aan. Gewapende ordetroepen sloten het dorp vervolgens hermetisch af, de politie probeerde het verzet te breken met verdeel- en heers tactieken. Dorpelingen die een document tekenden voor akkoord met de landhervorming, werd olie en rijst in het vooruitzicht gesteld.

Wukan hield stand, zozeer zelfs dat de onderhandelingen over de landverkoop nu heropend schijnen te worden, een zelden vertoonde uitkomst. Al dit soort gebeurtenissen werd ook al gezien en opgetekend door John Steinbeck. Alleen hadden de Joads te veel honger, en dus geen schijn van kans.

Maar Steinbeck keek verder dan landbouw alleen. Hij keek ook naar de kern van het economische nieuws dat zijn tijd domineerde. Wat gaat over grond is immers altijd vanzelf al een halve metafoor voor de rest. Eenzijdige exploitatie ‘zuigt het leven uit’ vruchtbare grond. De bank is ‘een monster’, dat gemeenschappen ‘ontwortelt’ en de ‘bodem’ onder het bestaan wegslaat. De Dust Bowl of de Rust Belt – de jaartallen en de branche verschillen, maar het mechanisme niet.

Lees Steinbeck dus over dat mechaniek, waarin de haves (de Occupybeweging zou zeggen: ‘de 1 procent’) net zo goed zitten opgesloten als de have-nots. De landonteigenaars zijn ‘gevangen in een kracht die groter was dan zijzelf. Sommigen haatten de wiskunde die hen voortdreef, anderen waren bang, weer anderen vereerden die wiskunde, omdat die een toevlucht bood, weg van gedachten en gevoelens.’ ‘Het komt voor,’ schrijft Steinbeck ook, ‘dat elke man bij de bank haat wat de bank doet, en dat de bank dat toch doet.’

Dit soort zinnen staat in de hamerende passages die Steinbeck tussen de hoofdstukken over de Joads voegde, bijbelse klaagzangen over de uitwassen van ongetemperd kapitalisme. Het mooiste daarvan is het intermezzo over het dumpen van voedsel. Als tijdens de oogst de prijzen te veel zakken, wordt het voedsel voor de ogen van hongerigen in rivieren gegooid of overgoten met benzine, gewapende knokploegen erbij om te voorkomen dat de hongerigen het krijgen, omdat ze dan helemaal niet meer geneigd zijn iets te kopen.

‘The smell of rot fills the country,’ schrijft Steinbeck hierover, en hij herhaalt het zinnetje een paar keer. En dan komt die passage die je laat voelen wat een absurditeit het is als een economisch systeem tegelijk immense verspilling en diepe armoede met zich meebrengt. Dan schrijft Steinbeck:

‘There is a crime here that goes beyond denunciation. There is a sorrow here that weeping cannot symbolize. There is a failure here that topples all our success.’

Daarna staat de zin waaraan het boek zijn titel ontleent (‘In the souls of the people the grapes of wrath are filling and growing, growing heavy for vintage,’) maar dat eerdere zinnetje is belangrijker. Letterlijk: er is hier een mislukken dat al ons succes omver werpt. Te niet doet. Zolang een economisch systeem niet rechtvaardig is, kan het niet gelden als succesvol.

Dat is het grote verschil tussen de crisisromans van Fallada en Steinbeck. De eerste beschrijft economische tegenspoed, de ander economisch onrecht. Het één gaat ooit weer over, hoop je. Het ander roept op tot een herziening van de fundamenten.

Hans Fallada’s werk is in het huidige Europa van crisis herontdekt. Het wordt weer vertaald, uitgegeven en toegejuicht.

John Steinbeck kom je dezer dagen alleen nog tegen op leeslijsten van scholen.

Een kwestie van tijd, misschien, voordat ook De druiven der gramschap in een speciale crisiseditie weer in de winkels ligt.