Het optimisme heeft ons lelijk in de steek gelaten

Dit was het jaar van de verliezen. Ook persoonlijk.

In een tijdsbestek van amper vijf maanden overleed eerst mijn schoonvader (bijna 82) en vervolgens ook mijn vader (bijna 85). Met hen deelde ik ervaringen bij dezelfde werkgevers. Mede daardoor kenden we veel van dezelfde personages uit politiek en bedrijfsleven, maar vanuit verschillend perspectief. We deelden interesses, van het uitgeversvak tot geschiedenis, al deelden we niet altijd elkaars opinies. Twee reuzen gingen om en laten leegte achter.

Andere categorie, ander verlies. Dit jaar vertrokken tientallen collega’s in een reorganisatie. Soms vrijwillig en enthousiast om iets nieuws te beginnen, soms niet zo vrijwillig en verbitterd. Sommigen had ik helpen opleiden, anderen speelden een cruciale rol in het feit dat ik hier kwam werken, met nog een ander heb ik in 2008 de journalistieke hoofdprijs gewonnen.

De financiële verliezen zijn ten opzichte van bovenstaande maar een paar woorden waard.

Twee andere verliezen stijgen uit boven het persoonlijke. Zij hangen samen met de eurocrisis. Eerst het verlies van de burger. Wie de kranten van dit jaar snel door zijn handen laat gaan, ziet een bijna onafgebroken aaneenschakeling van overleg, vergaderingen, van stijgende en ingezakte verwachtingen, van tientallen miljarden euro’s, van voorstellen, compromissen, van honderden miljarden, van beloftes, bijna-oplossingen, topontmoetingen, crisismanagement. Top-der-toppen. Duizenden miljarden. Nieuwe plannen die wachten op uitwerking.

Elke historische parallel gaat mank, maar de krakkemikkige besluitvorming roept beelden op uit de geschiedenisboekjes. Van patstellingen die voorafgingen aan oorlogen of langdurige stagnatie. Het kost als burger moeite om scepsis niet in cynisme te laten overgaan. Maar soms is dat gewoon te veel moeite.

Het tweede crisisverlies is het vergruizelde kompas. Het geknakte wereldbeeld. Het verlies van de ideologie dat financiële markten schuldenlanden bij de les houden voordat zij over de schreef gaan.

In de kabinetsbrief van 7 september over de toekomst van de Economische en Monetaire Unie spatte de teleurstelling ervan af. Hoe was Europa bedoeld? „De financiële markten zouden landen met riskante overheidsfinanciën een hogere rente vragen vanwege het hogere risico.”

Niet dus.

De markten werkten helemaal niet disciplinerend. Zij straften de zondaren niet, maar zij bleven nog lang hun staatsobligaties kopen. Markten zijn geen mensen, zoals collega Schinkel hier een jaar geleden al had uitgelegd. Het heeft geen zin om de markten menselijke eigenschappen toe te dichten, laat staan serieus te denken dat markten aan preventie doen.

Dat omgeslagen inzicht is geen persoonlijk verlies, want hooggespannen verwachtingen over de goede werken van de financiële markten heb ik nooit gehad. Maar het kabinet, diens voorgangers en de architecten van de eurozone kennelijk wel. Daar heeft het (neo)liberale optimisme en zijn geloof in gratis marktdiscipline ons lelijk in de steek gelaten. Markten zijn barometers van angst en hebzucht en kunnen hun stemmingen langer vasthouden dan je soms voor mogelijk houdt.

Kabinetten zijn niet anders. Zij kunnen stug volharden in eenmaal ingenomen sentimenten. In die 7-septemberbrief noemt het kabinet het lage groeivermogen van sommige landen als een kwetsbaarheid van de muntunie. Inmiddels is die visie verkokerd tot schuldreductie, schuldreductie, schuldreductie. Zonder geloofwaardige inzet op groei wordt 2012 een total loss.

menno tamminga

    • Menno Tamminga