Gevoeliguh typus, tieft toch op!

In het westen, de laatste trans, de nieuwe dichtbundel van Robert Anker, is een politiek en sociaal actueel pamflet. Had Anker niet beter een essay kunnen schrijven?

Amsterdam, 28-01-09. Ki Enthus Susmono, kunstenaar uit Indonesie werkt met Wajang-poppen, tentoonstelling in het Tropen Museum. Foto Leo van Velzen NrcHb

Robert Anker: In het westen, de laatste trans. Querido, 33 blz., € 17,95

Robert Anker begon zijn dichterscarrière in 1979 met raak geschetste, rustig geformuleerde natuurgedichten in Waar ik nog ben. In de loop van de jaren tachtig maakte het landschappelijk decor in zijn werk plaats voor het hectische stadsleven. In die stedelijke omgeving was Anker behalve dichter ook leraar op wat toen nog een ‘gemengde’ school mocht heten. Allochtone leerlingen werden Ankers romanpersonages, en hun taal drong ook door in zijn poëzie.

Al die tijd bleven zijn persoonlijke leven en zijn eigen omgeving nog herkenbare uitgangspunten, maar in gemraad slasser d.d.t. sloeg hij een poëtische haak. De taal vloog in die bundel los van de mededeling. Straattaal bezigde Anker nu, taal die wel boodschappen uitzendt, maar slechts in imponerende zin. Taal waarbij je al lezend onderstrepende gebaren ziet. Taal ook die vooruit lijkt te lopen op een nog uit te geven woordenboek,

Ik vond dat een indrukwekkend vertoon van experimenteerlust, maar echt bekoren deed het me niet. Dat geldt ook voor Ankers nieuwe bundel, In het westen, de laatste trans. Bracht hij in De broekbewapperde mens (2002), het echtpaar Senex en Safinur in een cyclus van tien gedichten breedsprakig in beeld – nu wijdt hij een hele bundel aan een stel orerende personages. Jarvaï en Mensoorah heten ze en ze praatten gedurig, op klinkklaar retorische toonhoogte. In toneeltaal, lijkt het wel. Tweemaal wordt hun dialoog ook als toneeltekst gepresenteerd.

Jarvaï is dichter en Mensoorah zet kanttekeningen bij dat beroep. In de theatrale passage ‘Ben jij een engel, Mensoorah’ gaat dat als volgt. Mensoorah gaat vlak naast Jarvaï staan en orakelt dan: ‘Niemand die je nog leest. Het enige wat je hebt geschapen is het scheppen zelf. Daarin ben je niet minder vluchtig dan de gesmade toneelspeler, de danser, de pianist. Wij hebben jouw rekeningen betaald omdat wij dachten dat dichters seculiere monniken zijn die met hun kunst voor ons bidden, onze vuile handen wassen, onze schuld saneren. Wij denken dat maar geloven doen we het niet. En jij gelooft het ook niet nu je hier naast me staat.’

Hier wordt de kunst onder vuur genomen. In die zin is In het westen, de laatste trans een actuele bundel. Politiek actueel, maar ook sociaal. In het onmiddellijk na bovenstaande toneeltekst volgende ‘Lèpugikuh’ bieden Henk en Ingrid commentaar in plat Haags. ‘Allemaal nep jullie dichtârs,’ stellen ze. ‘Zogenaamd gevoeliguh typus, tieft toch op!’ Aan cultuur bestaat geen behoefte meer, laat staan aan culturele nuances. Het tweede gedicht van de bundel, ‘Over de bron’, meldt het al: ‘Het is een tijd voor kakelend gelijk, niet voor weifelende / Zachte dichters met hun harde noten weggedoken / Als ingekeerde monniken in een schuw convent.’

In hetzelfde gedicht citeert Anker tot tweemaal toe de Poolse dichter Tadeusz Rózewicz. Ook die is weinig hoopgevend waar het om de poëzie gaat. De goden, schrijft hij, ‘hebben de wereld verlaten / ze lieten er de dichters achter / maar de bron / dronk de mond leeg.’ De kwetsbare positie van poëzie is het stuwende onderwerp van In het westen, de laatste trans. Drieëndertig breed gezette pagina’s lang hoort Mensoorah Jarvaï uit over de eigenschappen en bestaansredenen van het lyrische genre. ‘Zeg mij, Jarvaï,’ vraagt hij in ‘Vreugdes oorijzer’, ‘is een gedicht een vorm van kennis / Of expressie van de pijn en soms ook van de vrolijkheid?’ Jarvaï heeft zeventien regels nodig om tot een magere, want te weidse conclusie te komen. ‘De kunst,’ beweert hij uiteindelijk, ‘is het oordeel van het leven dat ons treft.’

Dit is geen gedicht, dacht ik al na een tiental pagina’s, maar een pamflet. Een subtiele verdediging van de poëzie, dat wel, maar had Anker niet beter een essay kunnen schrijven? De sociaalfilosofische gedachtestroom is bij tijden raak en ook de taal is in heel haar verheven woordkeus en toon vaak doeltreffend, maar wie zijn Jarvaï en Mensoorah? In Ankers tekst lijken ze niet meer dan sprekende wajangpoppen. In geen geval zijn ze mensen van vlees en bloed.

Of misschien toch in de toneeltekst aan het eind van de bundel. ‘Gestrand’ heet die tekst. Het tweetal zit in een kamer boven de trans. Ze praten nog steeds over poëzie, maar de situatie is die van een burgeroorlog. Het volk heeft de poort opengebroken, de bewakers gedood, en het zoekt de weg naar boven. In dat spanningsveld leest Mensoorah een gedicht voor dat hij in Jarvaïs nalatenschap vond. ‘Fijne lulleby’ is de titel en het is zeker van de hand van Robert Anker, want op Youtube op muziek van Jacob de Haan te beluisteren. Dat wekt hoop. Maar als Mensoorah de kamer verlaat en Jarvaï alleen achterblijft zijn diens laatste woorden: ‘Als God bestond / Zou ik hem vragen /voor mij te bidden.’ In die wanhopige woorden treedt even een mens uit de sjabloon te voorschijn. Maar is dat genoeg in een lyrisch pamflet?

    • Arie van den Berg