'Gevleugelde woorden zijn als juwelen'

Op zijn 445ste verjaardag verscheen van Erasmus Adagia, een verzameling zegswijzen en spreekwoorden uit de oudheid. Uit de toelichtingen van de Hollandse humanist op zijn internationale bestseller werd het postume interview hiernaast samengesteld. ‘Ik ben moe en geef de fakkel door.’

Desiderius Erasmus (1466-1536) schreef de eerste bestseller in de geschiedenis van de boekdrukkunst. Al tijdens zijn leven verschenen er zeker 50 herdrukken van de Adagia, een verzameling spreekwoorden uit de oudheid. Dit jaar verscheen, op Erasmus’ geboortedag (28 oktober), voor het eerst de vertaling van een ruime selectie uit dit werk.

Uit de 4151 spreekwoorden die Erasmus in zijn laatste editie van de Adagia behandelde, maakte Jeanine de Landtsheer een keuze van ruim 500 spreekwoorden. Alle zogenoemde essay-adagia zijn opgenomen, langere teksten waarin Erasmus onder meer van leer trekt tegen eigentijdse misstanden in kerk en staat. Wegens die kritische essays waren de Adagia aan het eind van de 16de eeuw tientallen jaren verboden in katholieke landen, tot daar een gecensureerde versie in omloop werd gebracht.

Erasmus schrijft in de Adagia zo uitvoerig over de moeizame totstandkoming ervan, dat we hem – zonder ook maar iets toe te voegen – zelf aan het woord kunnen laten.

Uw eerste verzameling spreekwoorden verscheen in 1500 in Parijs en telde 824 zegswijzen. In 1508 verscheen een grondig herziene editie met vier keer zoveel uitdrukkingen. Wat dreef u hiertoe?

„Er waren dringende verzoeken van mijn vrienden, tegen wie ik ook bij andere gelegenheden moeilijk nee kan zeggen. In dit geval was de drijvende kracht mijn mecenas William Mountjoy, een van de vooraanstaande edelen aan het Engelse hof.”

Uw spreekwoordenverzameling werd meteen zeer goed ontvangen. Toch heeft men u ook slordigheden verweten.

„Vooral nieuwe initiatieven stoten op argwaan, niet alleen bij lieden zonder ervaring, maar ook bij mensen met een behoorlijke opleiding. Wanneer een auteur toevallig een keer de plank misslaat (wie maakt nooit eens een foutje?) is dat het enige wat ze opmerken. Midden in mijn inspanningen om de last van dit werk af te schudden ben ik bevangen door een soort vermoeidheid wanneer ik onvermijdelijk denk aan grote mannen die onze tijd heeft gekend: hoe negatief hun reputatie bleef. Vergeleken bij hen is al wat ik doe maar heel gewoontjes of, om eerlijk te zijn, van nul en generlei waarde, zeker bij dit soort geschriften.”

Bent u nu niet al te bescheiden? U schrijft ook dat u bergen werk heeft verzet om deze verzameling spreekwoorden samen te stellen.

„Het lijkt me niet ongepast om wat dieper in te gaan op dit onderwerp om mijn lezer wat meer voor mij in te nemen. Want iemand die zich bewust is hoe oneindig veel problemen deze verzameling gevleugelde woorden me heeft gekost, zal ongetwijfeld veel milder oordelen.”

Op wat voor problemen doelt u zoal?

„Ik moest al wat er aan schrijvers bestaat van vroeger en nu, goed en slecht, in het Latijn en het Grieks, en uit alle mogelijke disciplines (de volledige geschreven traditie dus) niet even doorbladeren, maar met een grote dosis nieuwsgierigheid grondig doornemen en onderzoeken. Want die gevleugelde woorden zijn, net als juwelen, kleinigheden die soms aan je speurende ogen ontsnappen, tenzij je scherp toekijkt.”

Die uitgebreide versie heeft u persklaar gemaakt in Italië, bij de bekende drukker Aldus Manutius. Verliep die samenwerking prettig?

„Toen ik, iemand uit de Nederlanden, in Italië mijn verzameling spreekwoorden aan het uitgeven was, bezorgden alle geleerden, zoveel er daar waren, spontaan hun manuscripten van schrijvers die nog niet in druk waren verschenen, want ze vermoedden dat die me van dienst konden zijn. Het hele boek was voltooid binnen zo’n maand of negen en tussen het schrijven door had ik bovendien af te rekenen met nierstenen, een kwaal waarvan ik tot dan toe niets had gemerkt.”

Van veel klassieke bronnen is bekend dat ze corrupt zijn – bij het overschrijven zijn er fouten ingeslopen. Vormde dat eveneens een probleem?

„Hier rijst een nieuw pak werk op: je moet de nodige versies (liefst een behoorlijk aantal, geloof me) van de tekst opsporen en bijeenbrengen in de hoop tussen die vele exemplaren er een aan te treffen dat vrij correct is.”

Heeft u wel plezier gehad in het schrijven van de toelichtingen bij de spreekwoorden?

„Alle plezier die in dit soort toelichtingen schuilt, blijft volledig beperkt tot de lezer. Het enige wat het voor de samensteller oplevert, is de vervelende en eentonige inspanning van verzamelen, bijeenvegen, verklaren en vertalen. De gezegdes die ik hier te berde breng, zijn van dien aard dat ze hun glans halen uit dagelijks gebruik, niet uit mijn aanpak.”

U had in uw toelichtingen voor meer stilistische variatie kunnen kiezen. Heeft u dat overwogen?

„Om in mijn geval het hele retorische arsenaal uit de kast te halen, toe nou, wat is dat anders dan, om het met een spreekwoord te zeggen, linzen parfumeren en pygmeeënbeentjes geven aan een reus? Persoonlijk heb ik me nooit echt toegelegd op het aankweken van een verfijnde stijl, al kan ik hem wel bij anderen waarderen.

,,Om een of andere reden voelde ik me altijd meer aangetrokken door een weldoordachte taal dan door een die met stijlbloempjes is opgesmukt, op voorwaarde dat ze niet slordig is en in staat mijn mening duidelijk te vertolken. Bovendien, ook al had mijn onderwerp zich bij uitstek geleend voor het aanbrengen van stilistische verfraaiing, ik had toch geen tijd!”

Over tijdgebrek gesproken: een van de meest geciteerde spreekwoorden uit uw werk is festina lente (‘haast je langzaam’). Hoe denkt u zelf over dit spreekwoord?

„Kijk naar de kracht en de betekenis die in deze paar woordjes schuilen – zo rijk, zo diepzinnig, zo heilzaam, zo open voor alle aspecten van het leven – en je zult het zonder meer met me eens zijn: in die overvloed aan spreekwoorden is er niet één die meer verdient om in elke zuil te worden gebeiteld, boven elk kerkportaal te worden aangebracht, liefst met gouden letters.”

Heeft u overwogen om de spreekwoorden thematisch te ordenen?

„Dat heb ik bewust niet gedaan, deels omdat ik geloof dat om mij onbekende redenen dit soort verzamelbundels beter tot zijn recht komt indien er geen ordeningsprincipe aanwezig is. Bovendien zag ik dat het bijeenproppen van alle spreekwoorden met dezelfde betekenis in eenzelfde categorie door die gelijkheid verveling zou opwekken bij de lezer.”

Verreweg de meeste spreekwoorden die u behandelt komen uit Griekse en Latijnse bronnen. Waarom heeft u er zo weinig uit de Schrift opgenomen?

„De voornaamste reden is echter mijn vrees dat gelovigen het als een belediging zouden opvatten wanneer ik voortdurend teksten uit de Schrift had verweven in deze verzameling, die toch hoofdzakelijk is opgebouwd uit heidense zegswijzen, waarvan een aantal bovendien niet bijster netjes is.”

U heeft met tussenpozen een groot deel van uw leven gewerkt aan deze verzameling, 36 jaar lang. Bent u tevreden over de jongste editie?

„Ik heb mijn opdracht vervuld; ik ben moe en geef de fakkel door. Ik heb een hele verzameling bijeengesprokkeld, niet eens zo slecht, vind ik; nu is het aan anderen om haar vorm te geven en in te kleuren. Ik zal me helemaal niet gekrenkt voelen indien een knapper iemand mijn werk verbetert, een ijveriger collega het aanvult, een nauwgezetter man het ordent, een beter stilist het meer glans geeft, een geleerde met meer vrije tijd de onvolkomenheden wegslijpt, een gelukkiger man het op zijn naam schrijft, zolang dat gebeurt in het algemeen belang van studenten en onderzoekers.’’

Bovenstaande citaten van Erasmus zijn ontleend aan zijn toelichtingen bij de uitdrukkingen Haast je langzaam (II 1,1), De werken van Hercules (III 1,1) en Muggenziften (III 10,91) uit de vertaling van Jeanine de Landtsheer (AP&vG, 758 blz. € 34,95).