Geen alibi bleef onbenut

Flavio Febbraro: Eros in de kunst. De kunst van het kijken. Ludion, 391 blz. €34,90

Een prettige kant van thematische kunstboeken is dat je op wonderbaarlijke vondsten kan stuiten. Kijk maar naar dat negroïde meisje linksboven. Haar verkoop je dus geen knollen voor citroenen. Afrika telt nog steeds genoeg van zulke stoere meiden, denk je dan. Maar wat blijkt: ze komt helemaal niet uit Afrika. Ze dook op aan een oever van de Indus, vermoedelijk een danseresje, dat zo’n vijfduizend jaar geleden in brons werd gegoten. Ze is elf centimeter lang.

Dit beeldje is maar één van de honderden kunstwerken uit bijna alle windstreken – vreemd genoeg ontbreekt Afrika – die, uitstekend gereproduceerd en puntig beschreven, zijn opgenomen in Eros in de kunst. Het is het zoveelste deel uit de serie ‘De kunst van het kijken’, waarin ook De Wereldgeschiedenis in de kunst en Het verhaal van de moderne schilderkunst thuishoren.

Eros is door de Italiaanse samensteller en schrijver Flavio Febbraro breed opgevat. Blader je even snel van voor naar achter, dan passeert er een homoseksuele liefdesscène op een zilveren beker uit de 1ste eeuw, een rituele copulatie op een precolumbiaanse Moche-kruik, een 15de-eeuwse miniatuur van naakte dames en heren wier voorspel bestaat uit een gezamenlijk banket in een ellenlange badkuip, en een 19de-eeuwse Japanse houtsnede van een vrouw in de weer met een forse dildo.

Dit chronologische boek is geen systematische geschiedenis van de erotiek en ook geen met kunstwerken geïllustreerde universele geschiedenis van de seksualiteit, aldus Flavio Febbraro. Wat het dan wél precies is, laat hij enigszins in het midden. Is dat erg? Nee, zelden krijg je in één enkel boek zo’n brede waaier gepresenteerd van passie, wellust en extase in vijfduizend jaar beeldende kunst. En daar horen ook innige liefdesbetuigingen bij, al zijn die in de minderheid.

Zo’n kuis voorbeeld is een 15de-eeuws paar, onder een wit laken, tegen de rotsige achtergrond. Een detail van een fresco met de titel Mars die de vestaalse maagd omhelst, in het Palazzo Schifanoia in Ferrara. De kleren van het stel liggen keurig uitgespreid bij het bed. En om te laten zien dat het hier niet om een one night stand gaat is het linkeroog van de god Mars, dat de ons toegekeerde maagd aankijkt, zo opvallend aandachtig fel geschilderd dat het een liefdevolle blik op dit schouwspel afdwingt.

Prostituees

Febbraro combineert de beschrijving van elk afgebeeld kunstwerk steeds met kleine encyclopedische kaders over herkomst, betekenis, culturele en historische achtergrond en detailopnamen. Zo lees je dat de Samoerai-krijgers, eeuwenlang de militaire kaste van Japan, het recht hadden om elk moment elke vrouw, getrouwd of niet, op te eisen. En dat in het Parijs van 1860 maar liefst 120.000 prostituees hun diensten aanboden, terwijl de naakte Olympia van Edouard Manet op een Salon-tentoonstelling datzelfde jaar beschermd moest worden tegen wandelstokken en paraplu’s van boze, en gezien hun wapentuig, opgewonden heren.

Gelukkig vonden westerse kunstenaars eeuwenlang in Griekse mythen, bijbelse verhalen en klassieke literatuur een alibi om zich op erotisch vlak uit te leven. Met de vrij- of blijmoedige Venus, Olympia, Flora, Amor, Danaë en zelfs met Job en zijn dochters kon je alle vleselijke kanten uit. Giulio Romano, leerling van Rafael, mocht zich bijvoorbeeld onder het motto ‘Amor en Psyche’ flink uitleven in Palazzo Tè, het lustoord van de markies en latere hertog van Mantua, waar hij muren decoreerde met wervelende, half ontklede faunen, nimfen en gratiën. Maar toen dezelfde Romano een onversneden masturbatie in beeld bracht, werd zijn erotische prentenreeks I modi in 1524 – met dank aan de Paus – bijna compleet vernietigd.

Zwoele naakten

Later was het de Oriënt die schilders een alibi verschafte om erotisch uit te pakken. Ze maakten zich de sfeer eigen aan de hand van prenten en literatuur. Ingres was 82 toen hij het later beroemd geworden ronde schilderij Het Turkse Bad voltooide, vol lome en zwoele naakten – zonder ook maar één model te raadplegen. Collega-schilder Jean-Léon Gerôme reisde wél naar het Midden-Oosten. En mocht hij daar inderdaad hebben gezien hoe op een slavenmarkt het gebit van een beeldschone jonge vrouw werd geïnspecteerd door een bruut, wat niet waarschijnlijk is, dan is er op het gebied van vrouwenrechten na 1850 toch vooruitgang geboekt.

Dit alles is nog maar een kleine greep uit vijfduizend jaar kunstzinnige erotiek, die wordt afgesloten met vertrouwde 20ste-eeuwse namen als Schiele, Balthus, Picasso, Jeff Koons, Bruce Nauman en Louise Bourgeois. Schaamte en hypocrisie, die eeuwen borgstonden voor spectaculaire schilderkunstige escapades, hebben zij en nieuwe generaties allang achter zich gelaten.

Toch zal je in het Westen zelden kunstenaars tegenkomen die zo diep afzinken in hun seksuele fantasieën als hun Japanse collega’s. Kijk maar naar Japanse houtsneden en ivoren waarop steeds weer het record penislengte moet worden overtroffen. Of neem Katsushika Hokusai die er in 1814 al niet voor terugdeinsde om een vrouw in al haar openingen bevredigd te laten worden door een zachtroze octopus. Voorstellingen als deze zijn ontleend aan legenden over vrouwelijke vissers die door allerlei zeemonsters worden verleid of verkracht, zo blijkt. Dus zelfs in Japan kon de kunstenaar het niet zonder een alibi stellen.

    • Marianne Vermeijden