Ga jij nou maar de golven tellen

Desiderius Erasmus: Spreekwoorden. Adagia. Verzameld werk 5. Vert. en toelichtinhg van Jeanine de Landtsheer. Athenaeum–Polak & Van Gennep, 758 blz. € 34,95

Alleen al de inhoudsopgave van Erasmus’ Spreekwoorden is een feest. Waar vind je een opsomming van honderden uitdrukkingen die zo soepel overgaan van huishoudelijk toepasbare wijsheden (Opgewarmde kool is dodelijk), klassieke bejaardendiscriminatie (Zestigers de brug af duwen), evergreens (De middelvinger tonen) en Cruijffiaanse paradoxaliteiten (De helft is meer dan het geheel). En natuurlijk wil je meteen weten wat de achtergrond is van Het oor van een Bataaf, maar de onweerstaanbare charme van de 700 pagina’s dikke selectie uit Erasmus Adagia zit vreemd genoeg gewoon in het lezen van het boek van A naar Z – of in dit geval van Vrienden delen alles naar Vallen in de sprint.

Eigenlijk is Spreekwoorden een heel vreemd en onevenwichtig boek. De ene keer behandelt Erasmus, die zijn verzameling in steeds uitgebreidere versies publiceerde tussen 1500 en 1540, een uitdrukking in een paar zinnen. Bij Onder elke steen slaapt een schorpioen, vergelijkbaar met ‘op alle slakken zout leggen’ beperkt hij zich tot een paar regels uitleg en twee klassieke vindplaatsen: Aristophanes, Sophocles.

Meteen daarna volgt Wat heeft een hond met een bad te maken. Daar begint Erasmus met een lange lofzang op de Fries Rudolphus Agricola en vervolgens de Westfaal Alexander Hegius. En dan schrijft hij: ‘Maar laat ik nu terugkeren naar het spreekwoord’, maar uiteraard zonder dat werkelijk te doen.

Eerst legt hij even uit waarom eloquentie zo belangrijk is in het onderwijs dat wordt gedomineerd door stamelende theologen of natuurfilosofen. Pas dan citeert hij Lucianus die zegt dat een hond niets met een bad te maken heeft, precies zoals de hele uitweiding van Erasmus ook maar weinig met het spreekwoord van doen had.

Het is zo ontspannen, virtuoos verteld, dat je het boek niet weglegt (We kunnen niet allemaal alles) en doorgaat bij Een oude boom verplanten, wat begint met de voor de hand liggende uitleg dat het verplanten van een oude boom een lastige zaak is, waarna Erasmus de bomenkwestie toch wat uitdiept door te zeggen dat het spreekwoord vooral op de eik slaat (het Griekse woord voor ‘oude boom’ is afgeleid van ‘eik’) en erop wijst dat Seneca in weerwil van alle wortelcomplicaties stelde ‘dat iedere struik, hoe oud ook, kan worden verplaatst’.

Zoveel opgeruimde eruditie maakt dat je besluit er toch nog maar eentje te lezen en zo kom je dan bij De golven tellen, bij Vergilius en Theocritus gebruikt als een aanduiding van het ontelbare. De uitdrukking komt uit een fabel van Aesopus, die Erasmus dan kort navertelt. ‘Ooit zat iemand op het strand en probeerde een na een de golven te tellen. Hun snelle opeenvolging bracht hem in de war en hij raakte overstuur omdat hij hun precieze aantal niet kon bevatten.’

Een pijnlijke verbeelding van het menselijk gesukkel – wanhopiger dan Sisyphus. En het wordt nog erger, want er komt een vos voorbij, die ‘troostte hem met goede raad: ‘Wat zit je je druk te maken om golven die voorbij zijn gerold? Je moet bij deze hier beginnen te tellen en de andere als verdwenen beschouwen.’

Als hij dat heeft opgeschreven, zwijgt Erasmus verder maar even. Dat we nóóit verder komen dan het proberen te begrijpen en te ordenen van onze omgeving, vervolgens falen, in paniek raken en maar weer opnieuw beginnen – hij laat het afmaken van die gedachte aan zijn naar adem happende lezers over.

Evengoed gaat de spreekwoordenverzamelaar voort met de volgende aanrollende golf: Je bent een zwarte aan het wassen, waarna een paar bladzijden verder de oude uitdrukking: Zijn lot hangt aan een draad er ineens voor zorgt dat ons eigen ‘dat hangt aan een zijden draad’ je veel levendiger – en beangstigender voorkomt.

Er valt veel verstandigs te zeggen over de motieven en methoden van Erasmus bij zijn verzamelwerk, het belang van de uitgave als het gaat om het doorgeven van kennis over de oudheid (het humanistisch ideaal!), interessante weetjes (vooruit, Het oor van de Bataaf gaat om domheid en traagheid van begrip, en het daardoor niet begrijpen van schuine moppen) en het kolossale belang van Erasmus als een van de grootste Nederlanders, maar eigenlijk is dat hout naar het bos dragen.

Want wie noten wil eten, moet de dop breken, ieder vindt zijn eigen winden lekker ruiken en een stroom voert niet altijd bijlen mee. En sommige boeken moet je gewoon lezen en niet meer wegleggen: een wijs man draagt zijn rijkdom met zich mee.

    • Arjen Fortuin