Flaneurs in het theater van de stad

Twee boeken bewijzen weer eens het ongelijk van profetieën over het einde van de stad.

Tourists stand at the Pariser Platz in front of the U.S. embassy and next to the Brandenburg Gate in Berlin Tuesday, May 3, 2011. The security in Germany's capital is still at a high level and not special raised after the killing of Osama bin Laden, the mastermind behind the Sept. 11, 2001, in an operation led by the United States. (AP Photo/Markus Schreiber) ASSOCIATED PRESS

Daniel A. Bell en Avner de-Shalit: The Spirit of Cities. Why the Identity of a City Matters in a Global Age. Princeton University Press, 347 blz. € 33.-

Jos Gadet: Terug naar de stad. Geografisch portret van Amsterdam. SUN, Trancity 240 blz. € 19,95

Toen de globalisering een jaar of 20 geleden goed op gang kwam, voorspelden deskundigen dat alle grote steden op elkaar zouden gaan lijken. Snelwegen, appartemententorens, vliegvelden, winkelcentra en andere non-places zouden van metropolen ‘algemene steden’ maken, zo legde Rem Koolhaas bijvoorbeeld uit in The Generic City, zijn artikel over de toekomst van de stad in het superdikke boek SMLXL uit 1995. Zelfs als steden een oud, sfeervol centrum hadden, dan nog zou dit in de zee van de uitdijende urban sprawl van suburbs en shopping malls zo klein worden dat het zijn betekenis verloor en de metropool geen ‘identiteit’ meer kon geven. Zo zou globalisering een einde maken aan steden met een eigen karakter, stelde Koolhaas tevreden vast: ‘Opluchting ..... het is voorbij. Dit is het verhaal van de stad. De stad bestaat niet meer. We kunnen nu het theater verlaten’.

Nu, zestien jaar later, blijken de homogeniserende effecten van de globalisering veel minder dan verwacht, constateren de politicologen Daniel A. Bell en Avner de-Shalit in The Spirit of Cities. Why the Identity of a City Matters in a Global Age. Zelfs in China zien zij steden met een ‘eigen geest’ die zij ‘ethos’ noemen en in de straten en op de pleinen zichtbaar is. Het aantal stadions, theaters, cafés en restaurants in een stad wordt bijvoorbeeld bepaald door de levensstijl van de bewoners, schrijven ze in de inleiding.

De-Shalit en Bell – de eerste is hoogleraar in Shanghai, de tweede in Jeruzalem – gaan zelfs nog een stap verder. Niet alleen verschillen steden nog altijd van elkaar, het zijn ook de enige plaatsen waar ontsnapping aan de gelijkmakende globalisering mogelijk is. Naties, markten en culturen mogen dan op elkaar gaan lijken, maar steden zijn steeds vaker de haarden van verzet tegen globalisering. ‘Veel steden investeren gedachten, tijd en geld in de bescherming van hun unieke ‘ethos’ en behouden dit door beleid op het gebied van design en architectuur en door de manier waarop mensen omgaan met de stad.’

Globalisering

Om te laten zien dat in het tijdperk van de globalisering de verschillen tussen steden juist belangrijker worden, nemen Bell en De-Shalit negen steden die ze goed kennen – Oxford, Jeruzalem, Parijs, Montreal, New York, Singapore, Berlijn, Peking en Hong Kong – onder de loep. Dit doen ze op een verrassende manier. Schuingedrukte beschrijvingen van persoonlijke ervaringen, herinneringen en anekdotes worden afgewisseld met historische, politicologische en filosofische beschouwingen over de stad. De twee politicologen zijn de eersten om toe te geven dat dit met wetenschap weinig heeft te maken, maar als flaneurs hopen ze meer over de stadsgeesten te weten te komen dan als wetenschappers.

Die hoop is uitgekomen: hun impressionistische benadering zorgt voor levendige stadsbeschrijvingen die overtuigend laten zien dat het theater van de stad niet gesloten is maar meer voorstellingen geeft dan ooit.

Soms leiden hun stadswandelingen tot onverwachte inzichten. Zo staan ze versteld van de ‘transparante architectuur’ van het nieuwe Berlijn, ‘de stad van de tolerantie’. Hun verbazing is opmerkelijk, omdat in de jaren negentig een verhitte Architektenstreit plaats vond over het karakter van het toekomstige Berlijn. Architecten als Koolhaas en Daniel Libeskind vonden dat Berlijn de hoofdstad van de avantgarde-architectuur moest worden, maar Senatsbaudirektor Hans Stimmann drukte door dat de nieuwe Duitse hoofdstad een ‘Europese stad’ met traditionele architectuur werd: het nieuwe Berlijn werd niet van modernistisch glas maar van ouderwets steen. Maar voor De- Shalit en Bell, die de Architektenstreit niet eens vermelden, is het stenen Berlijn doorzichtig genoeg om het ‘transparant’ te vinden. In het doorzichtige Berlijn zien ze de uitdrukking van het nieuwe, open Duitsland.

De stadssocioloog als flaneur is blijkbaar iets dat in de lucht hangt. Want ook Jos Gadet, planoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam, schrijft in Terug naar de stad. Geografisch portret van Amsterdam over zijn eigen ervaringen, zoals gevechten op het voetbalveld en cafébezoeken. Die wisselt hij af met beschouwingen over stadsgeografie en stedenbouw. Uitvoerig vertelt hij hoe hij begin jaren tachtig van Limburg naar Amsterdam verhuisde om te studeren. De hoofdstad liep toen leeg: veel Amsterdammers trokken naar overloopgemeenten als Purmerend en Almere. Maar sinds 1985 groeit Amsterdam weer, de laatste jaren zelfs met 10.000 inwoners per jaar of meer.

Le Corbusier

Gadet brengt de renaissance van Amsterdam in verband met de groei van de ‘kenniseconomie’. Samen met de digitalisering heeft de kenniseconomie, met hoogopgeleiden en ‘creatieven’ als producenten, gezorgd voor een intensivering en uitbreiding van het stedelijk leven. Speelde zich dat vroeger vooral af in het 17de-eeuwse centrum met zijn vele en diverse voorzieningen, de afgelopen twintig jaar heeft de urban fabric zich ‘uitgerold’ over de 19de-eeuwse wijken rondom het oude centrum, stelt hij vast.

Dit betekent dat allerlei verwachtingen over de ontwikkeling van de stad niet zijn uitgekomen. De belangrijkste is dat de teloorgang van de publieke ruimte, die trendwatchers als Koolhaas voorspelden, niet heeft plaatsgevonden. Integendeel, veel publieke ruimtes trekken meer bezoekers dan ooit. In 2009 bezochten bijvoorbeeld twee keer zo veel mensen de Amsterdamse stadsparken als in 1996. Bovendien is er een nieuw soort publieke ruimtes bijgekomen: de third places oftewel nieuwe koffiehuizen als die van The Coffee Company en hippe restaurants als Dauphine in een oude Renaultgarage. Hier zitten overdag veel zzp’ers met hun laptop te werken en ontvangen ze hun opdrachtgevers.

Gadet is een liefhebber van het stadsgedruis. Hij is dan ook een volgeling van Jane Jacobs, de moeder van de postmodernistische stedenbouw die zich in 1961 in haar The Death and Life of Great American Cities keerde tegen de door Le Corbusier geïnspireerde modernistische stedenbouw van ‘licht, lucht en ruimte’. Ook Gadet hekelt het modernisme. De beroemde Amsterdamse Westelijke Tuinsteden, ontworpen door Cornelis van Eesteren, ziet hij niet alleen als een mislukking, maar ook als een sta-in-de- weg van het verder uitrollen van de urban fabric. De eenvormige woonblokken en de scheiding van functies ontberen de fijnmazigheid en variatie die nodig zijn om onderdak te bieden aan het moderne stadsleven met zijn eenmansbedrijfjes, cafés en third places.

Soms vraag je je bij Gadets tirades tegen dode modernisten als Le Corbusier en Van Eesteren af of hij niet een achterhoedegevecht voert. Zoiets als functiescheiding behoort in de stedenbouw tenslotte allang tot het verleden. Maar zolang invloedrijke figuren als Yttje Feddes, de rijksadviseur voor het landschap, vinden dat er in beginsel niets mankeert aan modernistische wijken als de Westelijke Tuinsteden, ziet Gadet het als zijn plicht om nog eens uit te leggen wat er allemaal mis mee is.