De stille man van het kindervers

Han G. Hoekstra ging Annie M.G. Schmidt voor met zijn dartele kinderverzen. Maar behalve als dichter had hij nog veel meer verschijningsvormen, op de achtergrond.

Joke Linders en Janneke van der Veer: Han G. Hoekstra. Ambo, 352 blz. € 34,95

De pas verschenen biografie over Han G. Hoekstra – dichter, schrijver en journalist – laat zich in vier woorden samenvatten: hij is schromelijk onderschat. En het biografenduo weet ook hoe dat komt. Hoekstra beoefende een genre waarin ook Annie M.G. Schmidt uitblonk. Hij schreef net zulke kinderverzen als zij, en liep zelfs regelmatig op haar vooruit. Hij dichtte al over kinderen met slordige haren en vuile handen die alles mogen, toen Annie Schmidt haar revolutionaire regel ‘ik ben lekker stout’ nog niet had geschreven. Ook zijn wandelstokje dat in zijn eentje over straat liep kwam een paar jaar eerder dan háár stoeltje dat kon wandelen.

Tegen de roem van Annie Schmidt kon niemand op. Ook de schrijfster zelf niet, hoewel ze zich in een briefje aan Hoekstra toch eens van haar allertoeschietelijkste kant heeft laten zien. ‘’t Is je toon die zo onvervangbaar is’, schreef ze hem. ‘Wanneer ik als collega iets zou willen zeggen is het de erkenning dat jij over fijnere penselen beschikt dan ik. Dag lieve Han.’

Joke Linders en Janneke van der Veer maken in hun biografie veel werk van de miskenning die Han G. Hoekstra naar hun mening ten deel is gevallen. Fijntjes vermelden ze dat Hoekstra in 1972 de Constantijn Huygensprijs ontving en Schmidt pas in 1987: ‘Maar waar Schmidt de ongekroonde koningin werd van alles wat niet mag, verdween de naam Hoekstra geleidelijk naar de achtergrond.’

Geschut

Voor de mogelijke oorzaak hebben ze echter niet meer dan één zinnetje over, dat enigszins in het niet valt bij het zware geschut waarmee ze Hoekstra trachten te rehabiliteren: ‘Schmidt verkende dezelfde thema’s maar was productiever, geestiger soms, en timmerde meer aan de weg.’ Waaraan nog valt toe te voegen dat zij vaak net iets vormvaster was dan hij. Zo staat nog helemaal te bezien of zijn penselen inderdaad fijner waren dan de hare.

Maar waarom zou een Hoekstra-biograaf (of twee) zo zwaar tillen aan de vergelijking met Annie Schmidt? Is de hoofdpersoon niet interessant genoeg zonder hem aan een veel beroemdere collega op te trekken?

Ja, dat is hij wel. Han G. Hoekstra was immers meer dan alleen de auteur van speelse, dartele kinderverzen waarin de toon werd gezet door de hang naar ironie, lichtvoetigheid en vrolijke vrijbuiterij die in de eerste naoorlogse jaren op de redactie van Het Parool zo’n band schiep tussen fijnschrijvers als Jeanne Roos, Simon Carmiggelt, Annie Schmidt en Han Hoekstra. Naast zijn journalistieke werk voor de krant schreef Hoekstra talloze volwassen gedichten die, blijkens de voorbeelden in dit boek, veelal over vrouwen gingen – met een wellustig soort romantiek die mooi in toom werd gehouden door zijn beschouwende levenshouding. Verder schiep hij een klassiek geworden gedicht waarmee nadien aan diverse generaties scholieren is gedemonstreerd dat poëzie meer kan betekenen dan wat er letterlijk staat: ‘Ik heb een ceder in mijn tuin geplant / gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen..’ En dan waren er ook nog de kolderverzen waarin hij – anders dan bijvoorbeeld Buddingh’ – soms toch iets leek te zeggen: ‘Dit ganse leven is één netoglop / iedereen tracht zijn eigen froot te vinden / maar mensen zijn fitulen op de winden / ach, geen ontsnapt de grijze valinop.’

Dat hij niettemin een dichter in de marge werd, zal mede te maken hebben met al die verschillende verschijningsvormen die hem veel minder grijpbaar maakten dan consistentere tijdgenoten als Nijhoff en Slauerhoff. Bovendien is Hoekstra’s dichtersreputatie beïnvloed door de tijdgeest. Zie bijvoorbeeld de draai die de fameuze criticus Kees Fens maakte. Over het beeldende gedicht ‘Gasthuismolensteeg’ schamperde hij in 1972 dat er ‘een soort historische verveling’ van uitging door ‘de weinig oorspronkelijke woorden.’ Maar in 1988, bij Hoekstra’s dood, prees Fens precies hetzelfde gedicht wegens ‘de ongewone lichtheid en zuiverheid van zijn taal.’

In elk geval weten de biografen aannemelijk te maken dat Hoekstra in veel opzichten eerder een dienende dan een prominente rol speelde. Geregeld was hij een stille kracht op de achtergrond – als redacteur van literaire tijdschriften, verzetsman, bloemlezer, vertaler (denk alleen al aan de ‘Gouden Boekjes’) en bindende figuur tijdens de wankele beginjaren van de Bezige Bij.

Vliegdekschip

Over wat intussen zijn dagelijkse werk voor de krant was – de reportages, interviews, film- en tv-recensies – lezen we minder. Eén passage uit een verslag over een zeereis met het vliegdekschip Karel Doorman naar de West, maakt nieuwsgierig naar meer: ‘We waren na drie weken schip bijna vergeten wat een bed is. Het is – de Nederlandse Marine vergeve het ons – een heerlijke uitvinding. En als afwisseling zeer de moeite waard.’ Zo schrijven krantenverslaggevers tegenwoordig niet meer.

Tussen alle drukte door is Han G. Hoekstra vier keer getrouwd geweest. ‘Ik was een tijd buiten de deur, daar het binnenskamers een onverdraaglijk spektakel was’, schreef hij eens aan collega Pierre H. Dubois, om uit te leggen waarom hij niet eerder op diens brief had geantwoord.

Telkens moest hij concluderen ‘hoe onmogelijk het voor de met eenzaamheid vertrouwden is hun lot aan dat van anderen te verbinden.’ Hij leefde naar eigen zeggen ‘op de makkelijke, slordige manier die in mijn aard zit.’ Op privéterrein moet hij dus ook brokken hebben gemaakt. Maar deze biografen zijn hun hoofdpersoon zo toegenegen dat ze hem beschrijven als ‘een enigszins wazige of zelfs slordige maar aandoenlijke man.’

’s Mans rommelige liefdesleven is door Linders en Van der Veer met even veel speur- en sprokkelzin gereconstrueerd als zijn schrijversbestaan. Een paar verkeerd gespelde namen ontsieren hun boek. Maar belangrijker is dat ze Han G. Hoekstra zijn rechtmatige plaats tussen de illustere collega’s van toen hebben teruggegeven.

    • Henk van Gelder