De Keizer en Wouterke

E r zat veel dood in 2011. Een slagveld. Je kon het rouwen niet bijhouden. Twee doden staan me nog haarscherp voor de geest. Ik kan niet zeggen dat ik als een Noord-Koreaan heb staan huilen, maar dat ik het bij hun verscheiden niet droog hield, wil ik niet ontkennen.

Ik mis ze nog steeds, Peter Post en Wouter Weylandt. Al mijn hele leven grijpt de dood van een wielrenner me naar de keel. Dat was zo met Jean-Pierre Monseré, Luis Ocana, Fabio Casartelli en last but not least Fausto Coppi.

Peter en Wouter waren me nabij.

Net toen de shirtjes waren gewassen, de fietsen glimmend uit de schuurtjes werden gehaald, de eerste foto’s van het peloton paginagroot in de kranten verschenen, ging hij dood. En het was geen zachte dood.

Grote Peter.

Legende als wielrenner en ploegleider. Grondlegger van het totaalcyclisme, halve Belg. Dat laatste zei hij ook altijd geheel ongeremd: „Bij jullie heb ik leren leven, heb ik me opengesteld voor mooie kleren en lekker eten.”

Ik zag heb vaak lopen in Knokke. Iedereen keek dan om naar Peter Post. Naar dat lange, nog immer pezige lichaam. Naar het uit rotsen gebeitelde hoofd. Tot in de puntjes gesoigneerd. Altijd in de duurste mocassins van Sergio Rossi. Ik heb weinig mensen gekend die zo trots op hun lichaam waren.

Cinematografische verschijning.

Keizer van de Zesdaagsen, natuurlijk. Als jongen mocht ik elke winter naar het Antwerpse Sportpaleis waar Post, Van Steenbergen en Van Looy de splinters uit de houten piste vlamden. Toen een Zesdaagse nog nachtwerk was.

Diep geluk.

Het peloton was een beetje bang voor Peter. Hij had de reputatie een stalinist te zijn. Genadeloos in het leiderschap, allergisch voor wieltjeszuigers, afkerig van slonzigheid. Het was maar een kant van de man. Ik heb een andere Peter gekend. Een zachte romanticus met grote zelfkennis. Hoe vaak zou hij niet gezegd hebben dat hij zijn hele leven al wist dat hij meer wilskracht dan talent had? Sommigen maakten daar gemakshalve Hollandse arrogantie van. Arrogant was hij niet, maar op een avond bekende hij: „Er zit een muur in mij. Dat komt omdat ik altijd dingen heb moeten doen die ik eigenlijk niet aankan.” De laatste jaren hield hij afstand van zijn grote passie. Het wielermilieu was hem te nuffig geworden. Tijdens ons laatste etentje zei hij: „Ik mis Briek Schotte.”

Peter is mooi oud geworden, dat is Wouter Weylandt niet. Ik zie hem nog vallen in de afdaling van de Passo del Bocco. Het was 9 mei en de Giro was drie dagen oud. Roerloos lag hij daar, op het asfalt met bebloed hoofd. Wouter was een renner van vallen en opstaan, maar zo’n doodsmak had niemand verwacht. Het hele Giropeloton treurde dagenlang. Ik vroeg me onnozel af hoe hij zijn laatste avond had doorgebracht in het hotel van Leopard Trek. Of hij nog een biertje met de gebroeders Schlecks had gedronken? Of hij nog geïnformeerd had naar de kruiende beentjes in de buik van zijn vriendin. Je probeert de dood altijd zo klein mogelijk te maken. En van wielrenners wist ik dat ze soms vader worden, luttele maanden na hun dood.

Wouterke.

Hij was een beeldhouwwerk. Het oer-Vlaamse hoofd geschraagd door stalen kabels in de nek. Altijd speelvogel geweest. Bij de begrafenis zag ik Fabian Cancellara in de kerk zitten. Met roze sjaal. Zo donker en droef had ik zijn gezicht niet eerder gezien.

Ik wou hem zoenen.

    • Hugo Camps