Arabische Facebook-jeugd op zijspoor gezet

De euforie van de ‘Arabische lente’ is voorbij. De werkelijkheid bepaalt dat het hoog-opgeleide Tunesië wel een kans op verbetering heeft maar Egypte nauwelijks.

Egyptian protesters gather in Cairo's Tahrir Square on December 28, 2011. The murder trial of Egypt's former president Hosni Mubarak resumed after a three-month hiatus that saw the ousted strongman's fate eclipsed by deadly clashes and an Islamist election victory. AFP PHOTO/Filippo MONTEFORTE AFP

De lente heeft niet doorgezet in de Arabische wereld. Behalve misschien in Tunesië zijn de vooruitzichten ook niet veelbelovend. In Egypte laat het leger overtuigend zien dat het greep wil houden op de macht, Libië is vooral een wapendump en Jemen, dat al werd verscheurd door problemen, desintegreert steeds verder.

En dit zijn dan nog de landen waar vastgeroeste leiders zijn weggestuurd of -geslagen, of, in Jemens geval, hebben beloofd te vertrekken. In Bahrein is de opstand voorlopig neergeslagen. Het Syrische regime kan het duidelijk niet schelen hoeveel bloed het moet vergieten om overeind te blijven. Op de koning van Bahrein na zijn Arabische vorsten, met en zonder oliegeld, nog nauwelijks in problemen gekomen.

De zo aanstekelijke euforie is voorbij. De aardige jonge mensen met hun laptopjes en iPhones op het Tahrirplein in Kairo zijn zelf ook naar huis geknuppeld of gemarginaliseerd. Bloggers zijn gevangen gezet. Voorzover er verkiezingen zijn gehouden, zijn die met zeer ruime marge gewonnen door oude of nieuwe moslim -fundamentalistische partijen. De islam is een vertrouwde ideologie voor de burgers, niet het seculiere liberalisme van de Facebookjeugd.

Had het anders kunnen lopen?

Toen de Tunesische sterke man Zine al-Abidine Ben Ali zo onvoorstelbaar makkelijk ten val kwam, en maar een paar weken later de Egyptische president Hosni Mubarak door het leger overboord werd gekieperd, leek geen Arabische leider meer veilig. Bijna alle landen, tot en met de rijke Golfstaten, delen immers de problemen die de jonge Tunesiërs en Egyptenaren in beweging hadden gebracht. Een grote jeugdwerkloosheid. Corrupte autoriteiten. Repressie. Uitzichtloosheid dus.

Libische jongeren bonden de strijd aan met Moammar Gaddafi, die nog niet lang tevoren uitbundig zijn veertigjarig jubileum aan de macht had gevierd. In Bahrein pakte de shi’itische meerderheid haar campagne voor democratisering weer op die een einde zou moeten maken aan haar structurele achterstelling. Zelfs in Syrië, met voorsprong het meest autoritaire land sinds de Amerikanen in 2003 de Iraakse leider Saddam Hussein elimineerden, gingen burgers de straat op en trotseerden de tanks van het regime.

Alles leek mogelijk – maar dominotheorieën worden zelden bewaarheid. De oude Britse historicus en revolutie-expert Eric Hobsbawm zei deze maand tegen de BBC dat in de analyse van de opstanden te weinig rekening is gehouden met de verschillen tussen de Arabische landen.

Koningen genieten meer legitimiteit dan presidenten. Ze zijn er niet alleen voor de aanhang van een corrupte regeringspartij, maar voor alle burgers. Hun dynastieën hebben een historische basis.

Olielanden hebben meer dan genoeg geld om protesten af te kopen. De Saoedische koning Abdullah trok in het voorjaar meer dan 130 miljard dollar uit voor onder andere werkloosheidsuitkeringen en huisvesting voor jongeren. Hij stuurde ook honderden miljoenen naar koning Abdullah van Jordanië, een bondgenoot die naar verhouding armlastig is.

De conservatieve sunnitische meerderheidsislam van de Golfstaten verhoudt zich slecht tot protest tegen de leider. Geestelijk leiders hadden weinig aansporing van regeringszijde nodig om elke demonstratie te verbieden.

Koning Mohammed VI van Marokko had in vergelijking met andere regimes al veel hervormingen doorgevoerd en zijn reactie op de protesten was méér hervormingen door te voeren. Libanon is geen autocratie en kent culturele vrijheid. De Algerijnen herinneren zich maar al te goed welk geweld protest kan uitlokken en hebben evenmin als Libanon een sterke man als leider die als aansprekend mikpunt kan dienen. Daarentegen liep het vat met wrok tegen het regime makkelijk over in Tunesië, Egypte, Libië en Syrië. Stuk voor stuk landen met versteende oude mannen aan het bewind die er niets meer van begrepen. Jemen was al een optelsom van opstanden en rebellieën.

Vandaar dat dezelfde basisproblemen in de Golfstaten nauwelijks protest losmaakten maar elders wel. Bahrein, waar de oppositie shi’itisch en niet conservatief-sunnitisch is, is de uitzondering die de regel bevestigt. Vandaar dat er in Marokko, Algerije en Libanon niet veel gebeurde.

De verschillen bepalen ook de latere ontwikkelingen in de Arabische wereld. Het is niet toevallig dat de vooruitzichten nog het best zijn in Tunesië: een compact land, met maar 10 miljoen inwoners, relatief hoog opgeleid, een relatief goed ontwikkelde economie ondanks de enorme corruptie van de (schoon)familie-Ben Ali, geen grote sektarische tegenstellingen, het leger verhoudingsgewijs op de achtergrond.

Plaats daartegenover Egypte, met 85 miljoen inwoners, meer dan de helft niet tot zeer laag opgeleid en levend op of onder de armoedegrens, en een leger dat sinds zestig jaar aan de macht is, de economie beheerst en daarvan graag de vruchten wil blijven plukken. Het doorgaand protest tegen de houdgreep van het leger vormt een aanslag op de economische situatie doordat toeristen en investeerders wegblijven. Het leger demoniseert nu de resterende jonge demonstranten als hooligans, drugsgebruikers en straatschenders in dienst van een ongenoemd buitenland.

Daarbij vinden de militairen gehoor bij de bevolking die geen revolutionair dividend krijgt maar juist de werkloosheid nog verder ziet stijgen. De staatsmedia, die het leger controleert, houden meer invloed op de massa’s dan de tweets van de revolutionairen. In tegenstelling tot de vrolijke verwachtingen van februari vertoont de nieuwe orde in Egypte veel gelijkenis met de oude, met veldmaarschalk Tantawi, de vroegere minister van Defensie die nu de regerende militaire raad leidt in plaats van luchtmaarschalk Mubarak.

Het is nog lang niet klaar in de Arabische wereld. De fundamentalisten, die volgende maand als de huidige trend doorzet met zo’n tweederde van de stemmen uit de Egyptische verkiezingen komen, moeten een verstandhouding met het leger zien te vinden. In Libië concurreren tientallen milities die uit de oorlog tegen Gaddafi zijn overgebleven om machtsposities. Democratie is een onwaarschijnlijke uitkomst; burgeroorlog een mogelijkheid. Protest in Bahrein suddert voort. In Jemen is de oppositie onderling slaags geraakt en het is lang niet zeker dat president Saleh en zijn familie definitief als machtsfactor zijn uitgeschakeld.

De zwaarste strijd wordt nog gestreden in Syrië, waar de opstand er als een burgeroorlog begint uit te zien. Het enige dat zeker is is dat er nog talloze doden zullen vallen. Het regime heeft te veel bloed vergoten om te kunnen overleven. Maar wie worden de opvolgers? Israël, Iran, Irak, Libanon maken zich al grote zorgen. De uitkomst hier kan potentieel de hele regio destabiliseren.

    • Carolien Roelants