Zo zagen we het verhaal van Bobby Fischer nooit

In verschillende eindejaarslijstjes van Amerikaanse en Engelse filmcritici figureert de Amerikaanse documentaire Bobby Fischer against the world van Liz Garbus bij de beste tien films van 2011.

Die keuze is van een andere aard dan bijvoorbeeld de tweede plaats van de documentaire De stand van de sterren bij de tien beste Nederlandse films volgens de recensenten. Garbus’ film is namelijk vernieuwend noch hemelbestormend. Aan de vormgeving, met veel archiefmateriaal en getuigenissen van sprekers recht in beeld, valt weinig speciaals te beleven.

Maar na vertoning op IDFA en de Vlaamse zender Canvas werd gisteren ook bij VPRO’s Import duidelijk wat er dan wel zo bijzonder is aan het biografische portret van een van de opmerkelijkste schakers aller tijden.

Het verhaal van Fischer (1943-2008), van wonderkind via virtuoos wereldkampioen tot paranoïde antisemiet en kluizenaar, is vaak genoeg verteld. Maar nooit zo compleet en gedetailleerd, met zulke prachtige foto’s en onbekende film- en televisiefragmenten, en met deze uitzonderlijke selectie aan speciaal voor de documentaire geïnterviewde getuigen.

Dat Fischers uitdaging van de Russische schaakhegemonie midden in de Koude Oorlog een zware politieke lading had, dat wisten we wel. Het krijgt een ander perspectief als we toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger die betekenis zien toelichten.

Iedereen die nog in leven is en iets van belang te melden heeft over Fischer, komt aan het woord: Garri Kasparov, Dick Cavett, de IJslandse organisator van de titelmatch Gudmundur Thorasinsson, scheidsrechter Lothar Schmid, de secondant van zijn tegenstander Boris Spasski, Fischers fysieke trainer, fotograaf en zwager, en vele anderen.

Verrassend vond ik ook de pertinente vaststelling dat niet alleen Fischers moeder Regina Joods was, maar ook zijn biologische vader Paul Nemenyi. Beiden lieten hem als kind min of meer in de steek, en dat verklaart wellicht zijn obsessie met de antisemitische humbug van de Protocollen van de Wijzen van Zion.

De beelden van de puber Bobby, met zijn wilde ogen en bijna obscene intelligentie, laten de kijker evenmin snel los. Niet eerder zagen we ook zo veel en zo gedetailleerd beeldmateriaal van de bebaarde, vuilbekkende kluizenaar die asiel vond in Reykjavik. Zelfs zijn neuroloog liet hem daar op zeker moment noodgedwongen vallen als een baksteen.

Maar de sterkste troef van de film is de precieze reconstructie van de match Fischer-Spasski in 1972, bijna partij voor partij. Die verliep als een thriller, nadat Fischer in de openingspartij blunderde en voor de tweede wegbleef. En toch wereldkampioen werd, voor de volgende drie jaar.

    • Hans Beerekamp