Wanneer is het genoeg?

In NRC Weekend schreven lezers over de vraag of ze genoeg geld hebben. Dezelfde vraag legden we voor aan Franca Treur.

Het is het jaar van de ontevredenheid, 2011. Ongeveer in de hele wereld gingen mensen de straat op. Om regimes omver te werpen, om merkkleding en flatscreentelevisies te stelen, om te protesteren tegen overheidsbezuinigingen en anders wel om de financiële sector vanuit een tent te kritiseren. Mensen hadden er ineens genoeg van. Ze waren onderdrukt geweest of klemgezet, maar in 2011 eisten ze hun rechten op. Dit was het moment, nu was het genoeg.

Hoe wisten ze dat?

Het is het jaar dat ik mijn royalty’s op mijn rekening kreeg, 2011. Terwijl de rest van de wereld de straat op ging, logde ik in met mijn random reader, keek op het scherm van mijn laptop naar de bijgeschreven nullen, toen naar mezelf om te zien hoe het geld mij veranderde.

Eerst gebeurde er niks. Maar net toen ik tevreden achterover wilde leunen, bestelde mijn hand via een of andere website een boek dat ik al een tijdje hebben wou. En toen dat een dag later arriveerde, leek het of mijn hand een schokje voelde. Hij bestelde er nog één, en nog één, wel één of twee per week. Het bleef niet bij boeken. Na een tijdje kreeg ik ook een nieuwe computer, reislust, meer jurken, meer vet op de botten, een groter hart, kortom, van alles meer.

Ook, zo merkte ik, begon ik al snel meer te vergeten. Wat wc-papier kostte, bijvoorbeeld. Of wat ik zojuist had uitgegeven bij de Albert Heijn op het moment dat ik de boodschappen in de koelkast stopte.

En plotseling besefte ik: hier zal je hem hebben, het begin van het einde! Want bij vergeten wat iets kost, verdwijnt ook het besef van prijs versus kwaliteit, van de menskracht en de moeite die aan de schappen is voorafgegaan. Of dacht ik daar toch al niet zo heel vaak over na?

Het is een poosje de gewoonte geweest van journalisten om Haagse politici in verkiezingstijd te vragen naar de prijs van een pak melk en van een halfje volkoren. Als je slaagde, had je nog besef van geld en was je gewoon gebleven. Hoeveel cent marge is dan eigenlijk toegestaan? Drie dubbeltjes, is dat te gortig?

Dat de Republikeinse presidentskandidaat en multimiljonair Mitt Romney als geintje op het toppunt van een crisis tienduizend dollar wou verwedden, viel niet goed bij Amerikaanse gezinnen die volgens de democraten van dat geld drie jaar boodschappen konden doen. Tot welk bedrag had hij schadeloos kunnen wedden?

Honderd dollar? 350?

Het is het jaar dat er veel over de crisis is gepraat, 2011. Over de oorzaak ervan. Bankiers met hun bonussen, maar misschien wel mensen in het algemeen, ze willen steeds van alles meer. Ze weten niet meer wanneer het genoeg is.

En wanneer is het dan genoeg?

Voor een debutant heb ik verrekt goed aan mijn roman verdiend. Geen flauw idee of het te veel is of te weinig. Geen flauw idee hoelang ik ervan moet leven, of een volgend boek wel weer verkoopt, of er in de toekomst voor verhalen überhaupt nog wordt betaald.

Maar afgezien van mijn particuliere geval: hoeveel heb je eigenlijk nodig? Niet te veel, niet te weinig lijkt het simpele antwoord, dat al sinds Aristoteles gegeven wordt. Maar deze grote denker geeft ook toe dat maat verschilt per situatie en per persoon. Hoe bepaal je dan wat genoeg is? Het antwoord lijkt enigszins in strijd met het voorgaande, maar Aristoteles kwam er ook mee weg. Je bepaalt dat door naar het voorbeeld van anderen te kijken. Verstandige anderen.

Wie dan?

Het voorbeeld van Bill Gates, die zegt 90 procent van zijn vermogen aan goede doelen te schenken?

Het voorbeeld van filosoof Peter Singer, die 20 procent van zijn inkomen op de rekening van Oxfam zet?

Het voorbeeld van de Chinese zakenman en filantroop Chen Guangbiao, die topfilantroop van de wereld wil worden en 10 procent van zijn vermogen aan goede doelen geeft, en na zijn dood de rest?

Zo komen we niet verder.

Voor aanstaande aardbewoners bestaan er richtlijnen voor aantallen navelbandjes en hydrofiele luiers. Maar wat heb je nodig wanneer je al een tijdje meegaat? Op de website van het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) tref ik een BufferBerekenaar. Je vult je maandsalaris in, je vaste lasten, enkele aanvullende gegevens, en de BufferBerekenaar levert een minimumbuffer, een adviesbuffer en daarnaast ook nog „een buffer op maat”. Maar de BufferBerekenaar zegt niet hoeveel kamers je nodig hebt, hoeveel auto’s, hoeveel laarzen.

Het verschil tussen wat je verdient en wat je nodig hebt, is vrijheid en zelfstandigheid, lees ik ergens. Ik veer weer op, want vrij en zelfstandig wil ik zijn. Ik wil kunnen schrijven wat ik wil, een lift kunnen afslaan als ik dat wil, in plaats daarvan een taxi bellen als ik dat wil, ik wil ruzie kunnen maken met iemand die ik beter te vriend zou houden.

Ik weet, dit alles heeft opeens een nogal individualistisch bijsmaakje, en te veel individualisme is niet goed voor de cohesie van een land.

Ik zag een documentaire over alternatieve vormen van betalen. Zo van ‘ik doe dit voor jou, doe jij dit voor mij’. Het hele dorp was ervan opgeknapt, ze hadden eindelijk elkaar weer nodig.

Maar, dacht ik, is het erg wanneer je niet je vrienden lastig valt met je verhuizing, maar een verhuisbedrijf inschakelt? Zijn de sjouwers van het verhuisbedrijf geen ‘anderen’? En zijn je vrienden je uiteindelijk niet stiekem dankbaar?

Tijdens mijn zoektocht naar de maat las ik nog iets over de derde rijkste man ter wereld, de 81-jarige belegger Warren Buffett. Ook hij heeft zijn vermogen grotendeels aan goede doelen overgemaakt. Zijn kinderen moeten het zelf opbouwen, in ‘dynastieke rijkdom’ gelooft hij niet. Buffett zei ooit, zo las ik: „Een van de dingen die mij bevallen aan beleggen, is dat je je eigen leven kunt leiden. Je hoeft je niet elke dag in je beste pak te hijsen.”

Dat van dat pak leek me nou typisch iets waar zelfs Occupy zich in kan vinden.

Franca Treur werkte zich op van krantenmeisje tot romancier. Van haar roman Dorsvloer vol Confetti zijn 150.000 exemplaren verkocht.