VNO-NCW is cynisch en hard over pensioen

De werkgevers stellen pensioenproblemen dramatischer voor dan ze zijn, om de geest van werkenden rijp te maken voor een pensioendaling. Werkverhoudingen dreigen voor langere tijd te worden verpest, waarschuwt Bernard van Praag.

Als iedereen zijn hoofd heeft bij de oliebollen en familiefeestjes, op de laatste dagen van het jaar, worden wij verrast door twee beangstigende berichten.

Het eerste stelt dat de vijf grote pensioenfondsen, samen goed voor circa 7,5 miljoen actieven en 1,5 miljoen gepensioneerden, een dekkingsgraad hebben in de buurt van de 95 procent en dat daarom voor het jaar 2013 de pensioenen zullen moeten worden gekort met circa 6 procent. Hetzelfde geldt voor de opgebouwde rechten van werkenden, alleen zullen ze dat pas echt merken als ze met pensioen gaan.

Het tweede bericht meldt dat de werkgeversclub VNO-NCW een geheime, maar uitgelekte instructie heeft rondgestuurd aan werkgevers hoe ze zich moeten gedragen bij de komende cao-onderhandelingen. Deze instructie houdt in dat pensioenpremies niet verder mogen stijgen en dat loonstijgingen niet langer dienen mee te tellen voor de pensioenopbouw, aldus NRC Handelsblad (28 december). Ook willen werkgevers af van de inflatie als richtsnoer voor de loononderhandelingen.

Het wordt zwaar weer voor werknemers en gepensioneerden. Het is tijd voor een structurele discussie in de samenleving als geheel.

Voor een goede beoordeling van het eerste bericht dienen we in het oog te houden dat het pensioen bestaat uit twee componenten, de AOW van circa duizend euro per maand en het aanvullende pensioen van circa vijfhonderd euro per maand. Een korting van 6 procent op het aanvullende pensioen komt neer op een inkomensdaling van circa dertig euro per maand, ofwel een reductie van het totale pensioen van 2 procent. Bij een aanvullend pensioen van vierduizend leidt dezelfde berekening tot een inkomensreductie van 4,8 procent. De maatregel van korting op het aanvullende pensioen heeft dus een nivellerend effect.

Opvallend is dat de tweede oplossing – het verhogen van de te betalen pensioenpremies – niet serieus in overweging wordt genomen, hoewel de Pensioenwet duidelijk stelt dat korting een ultimum remedium moet zijn dat pas in beschouwing kan worden genomen na premieverhoging.

Men stelt dat het ophogen van de premie toch geen zoden aan de dijk zet. Is dit zo? De korting wordt ook toegepast op pensioenrechten in opbouw van actieve werknemers. Om de dekkingsgraad weer naar 105 te hijsen, zou bij gelijkblijvend beleggingsrendement en rentevoet de premie moeten worden verhoogd met circa 10 procent. Ook hier wordt de premie slechts geheven van het bruto-inkomen minus een bedrag van krap 1.600 euro per maand. Voor een inkomen van 2.400 euro betekent dit een inkomensverlies van zestien euro per maand, dus minder dan 1 procent van het inkomen.

Deze voorbeelden tonen dat de percentages uit de krant niet zo dramatisch zijn als ze lijken. Ze refereren steeds slechts aan het inkomen minus een vast bedrag, respectievelijk aan het pensioen minus AOW-uitkering. Deze percentages zetten de toon voor de publieke discussie, maar zijn in feite demagogische stijlfiguren om de ernst van de situatie aan te dikken en werknemers rijp te maken voor concessies.

Als de premie voor werknemers niet wordt verhoogd, moeten ook de pensioenen van de nu werkende generatie gevoelig worden verlaagd. Het is dus in het eigenbelang van werknemers om meer pensioenpremie te betalen. Als men een nominale dekkingsgraad van circa 135 nastreeft, die benodigd zou zijn voor een waardevast pensioen, zou de premie moeten stijgen met circa 40 procent, leidend tot een inkomensverlies van krap 3 procent op een inkomen van 2.400 euro per maand.

De fundamentele maatschappelijke discussie moet gaan over de vraag welk deel van ons arbeidsinkomen werknemers nu willen consumeren en welk deel zij in een oude sok willen stoppen om van te kunnen leven in hun ouderdom. Deze vraag is alleen van belang voor werknemers. Alleen zij dienen te beslissen hoe zij de loonruimte willen verdelen tussen nu beschikbaar en uitgesteld loon. De luidruchtige inmenging van werkgevers in dezen is totaal irrelevant. Dit brengt ons terug naar het tweede bericht.

Als VNO geen rekening meer wil houden met inflatie, zet het in op een waardevermindering van het loon van op z’n minst circa 2 procent per jaar. De inflatie kan best oplopen tot 6 procent. De prijsstelling van bedrijven houdt echter wel rekening met inflatie en veroorzaakt deze inflatie zelfs zelf voor een niet onaanzienlijk deel. Werkgevers willen dus wel de omzetstijging door inflatie incasseren, maar deze inflatie niet doorgeven aan hun eigen werknemers. Dit lijkt mij een ideaal recept voor arbeidsonrust.

Hetzelfde geldt voor een blokkade van de stijging van pensioenpremies. Gezien de stijging van de levensverwachting zou dit automatisch een daling betekenen van de pensioenen. Met hetzelfde opgespaarde bedrag moet een langere oude dag worden gefinancierd. Het advies loonstijgingen niet langer mee te tellen voor pensioen is zelfs onbegrijpelijk. Wat impliceert dit voor de koppeling van het pensioen aan het middelloon?

Het advies van VNO is keihard, cynisch en inhumaan. Het zou de goede arbeidsrelaties in Nederland voor lange tijd verpesten en de kiem leggen voor een Engelse of Franse situatie in de jaren zeventig. Toen was de taal van staking en uitsluiting de enige taal waarin partijen zich verstonden. Het marxistische idioom zal herleven. Dan nog liever polderen.

Bernard M.S. van Praag is emeritus universiteitshoogleraar economische wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Bernard van Praag