Vloeken heeft alleen zin als het pijn doet

Een site propageert ‘Oud-Hollandse’ vloeken om minder te kwetsen, maar oude scheldwoorden kwetsen ook. Dat is juist de bedoeling.

Het begon als grap, dat nieuwe vloeken. Wessel Bottenberg schold zijn vriend uit voor „builenkop”. Dat was lachen. In de Middeleeuwen waren die builen op het hoofd nog te zien, bij pest- of pokkenlijders, nu is die ziekte vergeten.

Bottenberg en zijn vrienden probeerden er nog een paar. Het werd steeds leuker. De uitdrukking ‘drommels’ bijvoorbeeld. Deze doet denken aan de tekstrijke schoolboekjes van de jaren vijftig en zestig, waarmee hij, als negentienjarige, nooit is geconfronteerd. Het was de tijd van kapitein Haddock uit Kuifje, van ‘duizend bommen en granaten’. Zulke verwensingen kwetsen niet.

Dat moet iedereen doen, dacht Bottenberg. Vanuit zijn woonplaats Eibergen volgt hij al anderhalf jaar een vierjarige internetopleiding aan de University of San Francisco. Om zijn opgedane kennis in praktijk te brengen, heeft hij zijn site met 360 ‘Oud-Hollandse’ vloekwoorden opgezet, hetnieuwevloeken.nl. Retrovloeken lijken authentieker en minder aanstootgevend dan de gebruikelijke krachttermen. De publieke sfeer wordt beschaafder.

Heeft dit zin?

Toen ik in de Verenigde Staten woonde, kenden mijn zoontjes alleen het Nederlands van Annie M.G. Schmidt. Ze scholden elkaar uit voor ‘lelijkerd’. Het soort belediging doet er ook niet toe. Zolang de belediger en beledigde het allebei erg vinden, volgt voldoening van de belediger en woede van de beledigde. En mot.

Een vloek is een mededeling en hoort, als het krijsen van een kind, meteen de aandacht te trekken. Iedereen lijdt subiet mee. Maar waar het krijsende kind van alle kanten sympathie en hulp krijgt, roept de vloeker ergernis, angst en soms agressie op. Vloeken is de volwassen vorm van krijsen. En volwassenen die kinderlijk doen, bereiken het omgekeerde van vertedering. Een retrovloek moet juist een komisch effect hebben.

Maar de meeste retroscheldwoorden van het nieuwe vloeken vertederen niet. Een experiment: roep eens ‘bullebak’ naar iemand op straat en kijk wat er dan gebeurt. ‘Zakkenwasser’ is nog al te courant, net als ‘flapdrol’. Een agent ziet er de humor niet van in, laat staan de voetganger die onverwacht oversteekt. Een aangeroepene zal er weinig begrip voor hebben dat ‘viswijf’ of ‘domme gans’ zo beschaafd oud-Hollands klinken. Welke nieuw Hollandse verwensingen zijn zo veel erger dan ‘zeikstraal’ ‘lulletje rozewater’ of ‘schlemiel’? We zijn ook wel netter geworden. Het authentiek Hollandse ‘kaffer’ wordt nu beschouwd als racistisch.

In vloeken is de site milder dan in schelden. Bottenberg wil de godsdienstige medemens niet kwetsen, maar er staat wel ‘gossiemikkie’ of ‘nondeju’ – al zal de blasfemische oorsprong de meesten ontgaan.

Als ik op deze lijst afga, kan ik me niet voorstellen dat er meer wordt gevloekt en verwenst dan vroeger. En schelden Nederlanders echt meer dan anderen? Ik geloof het niet. Er zijn dagen dat ik er geen enkele hoor. Op mijn werk is het ongepast. Sociale klasse speelt een rol. Er is minder ontzag voor notabelen. Zij krijgen net zo goed de volle laag. Een fietsconflict bij de zebra kan uitlopen op gescheld. En in de media wordt meer getierd. Dat geldt zeker voor de rioolbuizen van internet. Amerikaanse kranten of tv-programma’s durven alleen f*ck of een piepje te citeren, ook al is dat woord in sommige speelfilms om de zin te horen. Als het niet zou werken, zou de scenarist het niet opschrijven. Hij had het beter niet kunnen doen. Dat geldt ook voor slaan. Maar als iemand het doet, gaat het erom dat de ander het voelt. De lijst van het nieuwe vloeken is een creatief menu om anderen te laten lijden.

    • Maarten Huygen