Vernieuwen hoeft niet meer

Het juk van één dominante stijl hebben componisten afgeschud. Wat rest? Eindeloze vrijheid. Drie generaties over verleden, traditie en vernieuwing: Reinbert de Leeuw (1938) en Martijn Padding (1956) en Joey Roukens (1982).

Hector Berlioz (1803-1869), compositeur français. ND-115480 ROGER_VIOLLET

Voor componist Martijn Padding (1956) was 2011 een succesvol jaar. „Ik heb interessante dingen gehoord, geluk gehad met mooie uitvoeringen van mijn muziek en hard gewerkt aan mijn nieuwe werk voor het Gelders Orkest.” In Memoriam Hector Berlioz heet het, gecomponeerd uit bewondering en fascinatie voor Berlioz. Maar wie hoopt op muziek die herkenbaar op Berlioz terugblikt, komt bedrogen uit. „Nee zeg, ik ga Berlioz niet citeren. Maar er zit wel alles in wat ik leuk vind aan zijn muziek: het contrast tussen knallen en intimiteit. In de geest is hij alom aanwezig. Omgaan met het verleden kan heel creatief zijn. Niet alles wat nieuw is moet nieuw zijn.”

Klassieke muziek is in de meeste gevallen museumkunst. Musici herscheppen oude muziek in nieuwe uitvoeringen. Van Bach tot Mozart en Messiaen – de traditie van de westerse kunstmuziek is overal, en met de opkomst van YouTube (goudmijn van archiefbeelden) en Spotify (online toegangspoort tot cd-collectie van bijna alomvattend monsterformaat) is die traditie ook toegankelijker dan ooit tevoren.

Tegelijkertijd zijn componisten nu grenzeloos vrij in hun muziek, en in de omgang met het verleden. De tijd dat nieuwe muziek moest vernieuwen om het vernieuwen, is voorbij. Luister maar naar, bijvoorbeeld, de nieuwe muziek die het Concertgebouworkest in 2011 in wereldpremière bracht. Insomnium van Detlev Glanert was eerder deze maand een uiterst communicatief, weelderig werk – eerder aanknopend bij de laatromantische symfonische traditie dan ermee brekend. De andere wereldpremière was Out of Control van de jonge componist Joey Roukens (1982), stampvol stomende ritmesessies die hoorbaar aan popmuziek schatplichtig zijn. En: allebei stukken met een onmiskenbaar eigen geluid.

Joey Roukens beziet de eigentijdse gecomponeerde muziek met gemengde gevoelens, zegt hij. „De belangstelling voor klassieke muziek uit het verleden is groter dan voor die van het heden. Dat lijkt normaal, maar dat is nooit eerder zo geweest. Door de streng modernistische, naoorlogse muziek is er een kloof ontstaan tussen de luisteraar en de nieuwe muziek. Popmuziek heeft juist enorm aan impact gewonnen. Cultureel geïnteresseerden lezen eigentijdse romans en stellen zich op de hoogte van actuele beeldende kunst, maar ze luisteren naar Coldplay en niet naar Thomas Adès. De gecomponeerde westerse kunstmuziek is in verval, vrees ik.”

Roukens zelf probeert muziek te schrijven die hopelijk wel zijn weg vindt naar een eigentijds publiek, simpelweg door een afspiegeling te zijn van de diverse muzikale werkelijkheid. „Kreeg een componist dertig jaar geleden de opdracht tot het componeren van een strijkkwartet, dan mocht het resultaat vooral niet lijken op een strijkkwartet: het resultaat moest in de eerste plaats vernieuwend zijn. Componisten van nu, mezelf incluis, zijn eerder geneigd alle grote strijkkwartetten uit het verleden te beluisteren om inspiratie op te doen. Daarna schrijven we gewoon ons eigen strijkkwartet. Eigenlijk is het simpel: mijn wereld is Mahler én Beethoven, Boulez én popmuziek. En mijn muziek is daarvan een afspiegeling.”

Vooruitgangsideaal

Reinbert de Leeuw heeft als dirigent van het grootste en beste Nederlandse eigentijdse muziekensemble ASKO/Schönberg een jaloersmakende adelaarsblik op het naoorlogse componeren. „Maar de diversiteit in de nieuw gecomponeerde muziek is nu zo groot, die overziet niemand”, nuanceert hij. „In Nederland is dat gelukkig al heel lang zo. Toen ik nog studeerde, zo rond 1960, toen was het verplicht om heilig te geloven in het muzikaal vooruitgangsideaal. Maar al rond 1965 is mijn blik totaal gekanteld. Omdat ik ontdekte dat muziek niet over dwang en beperking gaat, maar over vrijheid.”

Componist Martijn Padding huivert zelfs een beetje als hij terugdenkt aan enkele van de vele avonden die hij als student doorbracht in De IJsbreker, toenmalig centrum voor nieuwe muziek aan de Amsterdamse Weesperzijde. „Ik heb me daar toch een hoop slappe rotzooi gehoord... Muziek waarvan je totaal niet begreep wat die met het leven te maken had. Wat mij interesseert is hoe muziek zich verhoudt tot wat er al is, hoe zij dat becommentarieert. Daarmee forceer je ook de deur naar het publiek. Als je iets nieuws uitvindt zonder het oude daarin te betrekken, krijg je hermetische kunst. Die kan zonder meer wonderschoon zijn, maar loopt wel het risico in een isolement te raken.”

Reinbert de Leeuw herdefinieerde voor zichzelf het belang van niet per se vernieuwende twintigste-eeuwse componisten als Benjamin Britten en Dmitri Sjostakovitsj, vertelt hij. „Daar hield je destijds niet van hè, dat hoorde niet.” Hij lacht erom. „Ik durf dat nu nauwelijks meer te zeggen.”

Joey Roukens: „Brittens muziek heeft een beetje van Alban Berg, er zit wat Stravinsky in, wat Mahler. Maar dat gezegd hebbend was hij wel eerst en vooral Britten, en dat hoor je. Eigenheid en creativiteit zitten uiteindelijk in de omgang met het materiaal, niet in het materiaal an sich.”

Eigen geluid

Dat Reinbert de Leeuw zelf stopte met componeren, hing samen met dat besef. „Als componist moet je je staande houden in het licht van de historie, van al die groten die je voorgingen. En laten we wel zijn: groter dan Bach zal niemand worden. Ik kon die vrijheid niet aan. Daarom heb ik ook zo’n gigantische bewondering voor componisten die er wél in slagen een autonoom eigen geluid te vinden. Dat zijn ook de componisten naar wie ik als uitvoerder altijd op zoek ben, door wie ik word geraakt.”

De zoektocht naar een eigen geluid is ingewikkeld, benadrukt Padding: „In het begin ging mijn belangstelling sterk uit naar de muzikale bouwstenen. Hoe gebruikt Louis Andriessen zijn materiaal? Hoe werkt Pierre Boulez? En hoe wil ik dan zelf te werk gaan? Uiteindelijk vind je dan iets wat werkt. Maar dat is veranderlijk. Ik ben nu al weer minder bezig met de materie, en meer met kleur, instrumentatie en hoe ik het theatrale in de noten krijg. Een Haydnachtige licht- en listigheid. Die mis ik in de hedendaagse muziek. Ik vind nog steeds dat er verbazingwekkend weinig elegante muziek wordt gecomponeerd.”

Joey Roukens werkt op dit moment aan een nieuw pianoconcert voor pianist Ralph van Raat, dat in mei in première gaat in het Amsterdamse Concertgebouw. Padding is net begonnen aan een opera („over de knettergekke host van een tv-show”) voor De Nederlandse Opera; de première staat gepland voor 2014. Librettist is romanschrijver Frans Thomése. „Zo’n directe samenwerking tussen een Nederlandse componist en schrijver is volgens mij al zeer lang niet meer voorgekomen. Vorige week heeft Thomése me zijn eerste ariatekst voorgelezen. Dat voelde wel heel traditioneel, hoor. Maar het zal niet traditioneel worden.”

Wereldpremière ‘In Memoriam Hector Berlioz’ van M. Padding door het Gelders Orkest: 1, 2, 3 en 4 maart 2012. Inl. hetgeldersorkest.nl. Wereldpremière Pianoconcert van Joey Roukens voor Ralph van Raat: 12/5 ZaterdagMatinee, Concertgebouw Amsterdam.

    • Mischa Spel