Retropop retrosnoep retroporno

Ontneemt de nostalgie onze cultuur het vermogen om vooruit te gaan of zijn we juist nostalgisch omdat de cultuur niet meer vooruitgaat? De Britse muziekcriticus Simon Reynolds onderzoekt de retromanie.

We leven in een poptijd die helemaal gek is van retro en herdenkingen. Herenigde bands en reünietournees, albums en boxsets bij wijze van eerbetoon, jubileumfestivals en live-uitvoeringen van klassieke albums: wat de muziek van weleer betreft, is elk nieuw jaar nog weer beter dan het vorige.

Zou het kunnen dat het grootste gevaar voor de toekomst van onze muziekcultuur schuilt in... haar verleden?

Ooit gonsde de pop van de dynamische energie die een zinderend toekomstgevoel gaf in de psychedelische jaren zestig, de post-punk in de jaren zeventig, de hiphop van de jaren tachtig en de rave en house van de jaren negentig. De jaren na 2000 voelden anders aan. Naarmate het decennium zich ontrolde, verflauwde het vooruitgangsgevoel.

Als met elk verstrijkend jaar de polsslag van het NU zwakker aanvoelt, komt dat omdat het popheden steeds meer is verdrongen door het verleden, in de vorm van gearchiveerde herinneringen of retrorock die op oude stijlen parasiteert. Deze eeuw draait niet zozeer om zichzelf als wel om alle voorgaande decennia, die zich allemaal tegelijk nog eens voltrokken.

De ‘jaren nul’ bleken daarmee niet de drempel naar de toekomst, maar naar het ‘Re’-decennium. De 21ste eeuw wordt gedomineerd door het voorvoegsel ‘re-’: revivals, reissues (nieuwe edities), remakes, re-enactments (naspelen). Een eindeloze terugblik: elk jaar bracht een verse stroom jubilea met de bijbehorende overvloed aan biografieën, memoires, rockumentary’s, biopics en herdenkingsnummers van tijdschriften. Dan waren er de bandherenigingen, of het nu ging om groepen op nostalgietournee om de banksaldi aan te vullen (Police, Led Zeppelin, Pixies), of als opmaat om de studio weer in te gaan en hun opnamecarrière te hervatten (Stooges, Fleetwood Mac, My Bloody Valentine).

En waren het maar enkel de oude muziek en de oude muzikanten die terugkwamen. Maar dit was ook het decennium van de ongebreidelde recycling: voorbije genres werden opgepoetst en bijgewerkt, klassiek geluidsmateriaal opgefrist en hergebruikt. Maar al te vaak was bij jonge bands onder de strakke huid en roze wangen het slappe grauwe vlees van oude ideeën te ontwaren.

Het woord ‘retro’ verwijst naar een obsessie voor de stilering van een tijdvak (in muziek, kleding, design) die creatief wordt uitgedrukt door middel van pastiche en citaat. Maar retro is inmiddels een manier om alles te beschrijven wat betrekking heeft op het vrij recente verleden van de populaire cultuur. Dit omvat verschijnselen als de sterk gegroeide aanwezigheid in ons leven van de oude popcultuur: van de beschikbaarheid van platen uit het verleden tot het reusachtige collectieve archief van Spotify en YouTube en de enorme veranderingen in de muziekconsumptie dankzij afspeelapparaten als de iPod (vaak gebruikt als persoonlijk radiostation voor ‘gouwe ouwen’).

Ook eerdere tijdperken hadden hun obsessie voor de oudheid, van de verering van het Romeinse en Griekse classicisme in de Renaissance tot de bewondering in de negentiende-eeuwse voor de gotische Middeleeuwen. Maar nog nooit werd een maatschappij zo geobsedeerd door haar eigen directe verleden. Retromanie is zozeer een culturele kracht geworden dat we het gevoel krijgen op een omslagpunt te zijn beland. Ontneemt de nostalgie onze cultuur het vermogen om vooruit te gaan of zijn we juist nostalgisch omdat de cultuur niet meer vooruitgaat?

Ik ben niet de enige die versteld staat van deze ontwikkelingen. Soms zijn ook muzikanten zelf bezorgd. In 2007 verklaarde Sufjan Stevens: „De rock-’n-roll is een museumstuk... Er zijn nog geweldige rockbands – ik houd van de White Stripes, ik houd van de Raconteurs. Maar ze spelen alleen maar een oud sentiment na. Ze kanaliseren de schimmen uit die tijd – The Who, punkrock, Sex Pistols, noem maar op. Het is allemaal al eens gedaan.”

De garderobe van gisteren

Deze malaise beperkt zich niet tot de popmuziek. Kijk naar de manie in Hollywood om remakes van kaskrakers uit eerdere decennia te maken. Het theater heeft een lange traditie om canonieke toneelstukken en geliefde musicals opnieuw op te voeren, maar ook daar zien we de remakes en spin-offs aanslaan, met producties als Spamalot (gebaseerd op Monty Python and the Holy Grail) en ‘jukebox musicals’ geschreven rondom gouwe ouwen van legendarische bands of uit klassieke genres: We Will Rock You (Queen), Good Vibrations (Beach Boys) en Rock of Ages (hair metal uit de jaren tachtig).

In de garderobe van gisteren grasduinen is allang een integraal onderdeel van het modevak. Maar het hergebruik van oude ideeën lijkt de afgelopen tien jaar toch wel een heel razende omloopsnelheid te bereiken. Er is retrospeelgoed en retrogaming (ouderwetse computerspelletjes uit de jaren tachtig). Er is retro-eten (de Londense sandwichketen Pret A Manger verkoopt ‘Retro Prawn on Artisan’, een opgeklopte sandwichversie van de populaire garnalencocktail uit de jaren zeventig). Er is ook retro-inrichting, retrosnoep, retroreizen, retroarchitectuur en retroporno. Af en toe zien we zelfs tv-reclames in retrostijl.

Maar het retrobewustzijn lijkt toch wel het meest overheersend in de muziek. Misschien wel omdat het juist daar verkeerd aanvoelt. Pop hoort toch over het hier en nu te gaan? Het wordt nog altijd als het domein van de jeugd beschouwd en van de jeugd wordt geen nostalgie verwacht. Het wezen van pop is de aansporing om ‘erbij te zijn’. De band van de populaire muziek met het heden en het nieuwe verklaart haar ongeëvenaarde vermogen om de sfeer te distilleren van een historisch tijdperk. In historische drama’s wordt een tijdperk door niets zo doeltreffend opgeroepen als door popsongs uit die tijd.

In de mainstream van de pop bedienden de meest prominente commerciële trends van de afgelopen tien jaar zich vaak van recycling: de herleefde garagepunk van The White Stripes, The Hives, Jet, The Kills e.d., de klassieke soulstijl van Amy Winehouse, Duffy, Adele en andere jonge blanke vrouwen die klinken als zwarte Amerikaanse zangeressen uit de jaren zestig, en door de synthpop van de jaren tachtig geïnspireerde dames als La Roux en Lady Gaga. Maar waar het retrogevoel werkelijk de boventoon voert is onder het hippe volk, de elite van de pop. Juist de mensen van wie je verwacht dat ze strijden voor het niet-traditionele en baanbrekende – die groep is nu het meest verslaafd aan het verleden. De pioniers en vernieuwers van weleer zijn overgestapt op de rol van conservators en archivarissen. De avant-garde is nu een arrière-garde.

De omvang van het verleden dat zich achter de muziek ophoopte heeft steeds meer zwaartekracht gekregen. Jonge muzikanten die in onze tijd volwassen zijn geworden, groeiden op in een klimaat waarin het muzikale verleden in ongekende mate toegankelijk was. Dit resulteert in muziek met een minutieus geordende constellatie van referentiepunten en toespelingen die de decennia en de oceanen overspant.

Niet dat er in de muziek van de jaren nul niets is gebeurd. In tal van opzichten was het een manische drukte van microtrends en subgenres. Maar de meest gedenkwaardige veranderingen hielden verband met consumptie en distributie. We zijn het slachtoffer van ons steeds grotere vermogen om enorme hoeveelheden cultureel materiaal op te slaan, te ordenen, direct te raadplegen en te delen.

Retrolicious

Toch is dit geen veroordeling van retro als een uiting van culturele regressie. Ik ben zelf een fervent deelnemer aan de retrocultuur: als historicus, als recensent van heruitgebrachte edities, als deskundige in rockdocumentaires. Maar er is meer dan professionele betrokkenheid. Als fan ben ik net zo verslaafd aan terugblikken als iedereen: ik struin de tweedehandsplatenwinkels af, zit over rockboeken gebogen en vastgekleefd aan YouTube. Ik smacht naar de toekomst die ons is ontglipt, maar ik voel ook de lokroep van het verleden.

Ik heb heel veel opgehad met bands die gemakkelijk als puur pastiche konden worden afgedaan. Daardoor heb ik weleens mijn toevlucht tot vernuftige argumenten genomen om uit te leggen waarom een bepaalde beminde band niet zomaar een necrofiele grafrover was. Zonder een spoor van gêne omschrijft cult-muzikant Ariel Pink uit Los Angeles zijn sound, geweven uit wazige echo’s van slaperige radiopop uit voorbije decennia, als ‘retrolicious’. En zo is het! Nostalgie is tenslotte een van de grote popemoties. Soms kan die nostalgie het bitterzoete verlangen van de pop naar zijn eigen vervlogen gouden tijden. En toch... het heeft beslist iets diep verontrustends dat zoveel van de beste muziek van de laatste jaren klinkt alsof ze ook dertig, veertig jaar geleden gemaakt had kunnen zijn.

Wat zou deze impasse kunnen doorbreken? Het is denkbaar dat de huidige malaise van terugblikken en teruggrijpen gewoon een fase is, een soort shocktoestand als gevolg van de directe en totale toegang tot de digitale poparchieven. Het zou kunnen dat een nieuwe generatie muzikanten zich niet laat verstikken door eerbetoon en erfgoed. Dat voor hen het verleden gewoon grondstof is, iets om te gebruiken. Deze komende generatie bevindt zich in een gerieflijke nieuwe vorm van culturele tijdelijkheid waarin verleden, heden en toekomst totaal door elkaar zijn gegooid. ‘Is het vernieuwend?’ is een vraag die zij niet eens meer stellen.

Van Simon Reynolds verscheen in 2011 het boek ‘Retromania: Pop Culture’s Addiction to its Own Past’ (Faber & Faber).