Katers vaak linkspotig, poezen zijn vaker rechts

Kijk, een stukje tonijn! De onderzoeker, een Ierse dierpsycholoog, laat de kat er even aan ruiken; dan gaat de lekkernij in een (open) glazen potje. Kat erop af, natuurlijk: met een van zijn voorpoten hengelt het diertje naar de vis. En de onderzoeker noteert met welke poot het eerst.

Dat blijkt bij kittens van 12 weken nog niet uit te maken, na een half jaar begint er een patroon te ontstaan en na een jaar hebben de meeste katten een duidelijke voorpootvoorkeur: de meeste katers zijn links, de meeste poezen rechts. En katten die goed konden hengelen, hadden tegen die tijd in totaal anderhalve kilo tonijn binnen kunnen krijgen, zo vaak werd het experiment herhaald.

Dierpsychologen uit Belfast beschrijven hun onderzoek onder 37 rasloze huiskatten, allemaal geen familie van elkaar, in een artikel dat ze op Tweede Kerstdag online publiceerden in Journal of Comparative Psychology. Van de twaalf jonge katjes die ze volgden van twaalf weken tot een jaar oud had slechts één van de vijf katers na een jaar geen duidelijke voorkeurspoot. De andere vier katers waren op éénjarige leeftijd duidelijk links en alle zeven vrouwtjes rechts. Daarnaast testten de Ieren nog elf katten van een half jaar en veertien katten van een jaar oud. Daarbij vonden ze een vergelijkbaar voorkeurspootpatroon, dat waarschijnlijk stabiel blijft. Dit suggereert, schrijven de onderzoekers, dat links- of rechtspotigheid ten minste deels biologisch bepaald is. Misschien dat katten die met broertjes of zusjes opgroeien, daar ook nog door worden beïnvloed. Dat moet apart worden onderzocht.

Ook allerlei andere dieren hebben een ‘voorkeurskant’, zoals bultrugwalvissen, zeeleeuwen, duiven, kippen, honden, muizen en padden. Maar behalve bij mensen en primaten is het verschijnsel eigenlijk nauwelijks onderzocht.