Het jaar van de Arabische Lente, deel vier: Bahrein

De laatste dagen van 2011 besteedt nrc.nl aandacht aan zes landen waar de Arabische Lente het meest ingrijpend was: Tunesië, Egypte, Jemen, Bahrein, Libië en Syrië. Vandaag is Bahrein aan de beurt, waar de protesten grotendeels genegeerd werden door de wereld.

Anti-government protesters wave Bahraini flags and gesture as they participate in a rally and march Friday, Nov. 25, 2011, that drew tens of thousands to Maqsha, Bahrain, just outside the capital of Manama. Participants in the rally, organized by several opposition societies, waved Bahraini flags along with those of Arab spring countries Syria, Yemen, Jordan, Tunisia and Egypt, while calling for the fall of the Bahraini government, freedom for prisoners and democracy in the Gulf island kingdom. (AP Photo/Hasan Jamali)

nrc.nl blikt in een zesluik terug op de Arabische Lente. Vandaag de vierde aflevering: Bahrein.

Niemand had eind 2010 kunnen voorzien wat zich de afgelopen twaalf maanden zou voltrekken in de Arabische wereld. Leiders die al tientallen jaren aan de macht waren, zwichtten voor de macht van de massa, terwijl andere regimes alles inzetten om veranderingen tegen te houden en aan de macht te blijven. Met gewelddadige gevolgen.

De laatste dagen van 2011 besteedt nrc.nl aandacht aan zes landen waar de Arabische Lente het meest ingrijpend was: Tunesië, Egypte, Jemen, Bahrein, Libië en Syrië. Vandaag is Bahrein aan de beurt, waar de protesten grotendeels genegeerd werden door de wereld.

Bahrein en de onzichtbare opstand

Terwijl de wereld keek naar Tunesië, Egypte en Libië voltrok er ook een bijna onzichtbare opstand in het kleine maar rijke oliestaatje Bahrein (kaart). Met maar zeshonderdduizend inwoners en enkele honderdduizenden gastarbeiders leken de vele demonstraties onbeduidend tegenover de miljoenen die zich op het Tahrir-plein in Kairo verzamelden. Maar waar de aantallen achterbleven, was de repressie van de demonstraties door het regime van koning Hamad bin Isa Al Khalifa des te heviger.

Op maandag 14 februari gingen duizenden Bahreiners in plaatsen rond de hoofdstad Manama de straat op een dag die was uitgeroepen tot de “dag van woede”. Geïnspireerd door de gebeurtenissen in Tunesië en Egypte, besloten shi’ieten dat dit het juiste moment was om te demonstreren tegen de achterstelling door de sunnitische minderheid die in Bahrein aan de macht is. Al sinds de jaren negentig eist de shi’itische meerderheid (ruwweg zeventig procent van de bevolking) meer rechten.

Een week eerder beloofde koning Khalifa elk Bahreins gezin extra voedselsubsidies en een bedrag van tweeduizend euro in de hoop een opstand van Egyptische proporties te voorkomen. De shi’ieten lieten echter hun kans om te demonstreren niet voorbij gaan. Zeker toen twee betogers om het leven kwamen na het optreden van veiligheidstroepen op 15 januari hielden de Bahreiners zich stevig vast aan hun eis voor hervormingen: meer inspraak in beleid, betere economische kansen én minder overheidscontrole. Zij bezetten daarop het centrale plein in Manama, het zogenoemde Parelplein, en doopten het om tot hun eigen Tahrir-plein, inclusief tentenkamp.

Maar een dag later al grepen Bahreinse veiligheidstroepen in om de bezetting van het centrale plein in Manama te beëindigen.

Manama een ‘oorlogsgebied’

In de dagen die volgden stroomde het grootste ziekenhuis van het land, Salmaniyya, vol met gewonde demonstranten. Artsen spraken tegenover internationale nieuwsmedia van een oorlogsgebied in de hoofdstad.

Oproerpolitie schoot met scherp en gebruikte stokken en traangas om de betogers ervan te weerhouden het Parelplein te heroveren. Na drie lange dagen lukte het de demonstranten hun weer tenten op te zetten. Daarop beloofde de koning van Bahrein een nationale dialoog. Die nog geen twee weken daarna jammerlijk mislukte.

Onder druk van andere Golfstaten, waaronder Saoedi-Arabië, voerde koning Khalifa de druk op de betogers op. De andere sunnitische regimes in de strategische regio vreesden dat de golf van protesten zich verder zouden uitbreiden. De grootste zorg van de Golfstaten was dat Iran in de vorm van een nieuw shi’itisch bewind in Bahrein een voet tussen de deur zou krijgen in de regio.

De angst voor een Iraans Bahrein

Op 14 maart trok dan ook een Saoedische troepenmacht het land binnen om koning Khalifa bij te staan. En dat was volgens NRC-buitenlandredacteur Carolien Roelants, die de ontwikkelingen in de Arabische wereld het afgelopen jaar op de voet volgde, opmerkelijk. De eerste buitenlandse interventie kwam niet van het Westen maar de Arabische wereld zelf. Roelants:

“Het meest opmerkelijk vond ik het moment dat de Saoedische troepen de grens binnentrokken op verzoek van de koning om de shi’itische massaprotesten te onderdrukken. Ik herinner me nog de alarmen die binnenkwamen op de telex. Totaal onverwacht, want destijds verwachtte iedereen een inval in Libië. Maar de eerste buitenlandse interventie vond uiteindelijk toch plaats in Bahrein. Achteraf gezien logisch, omdat de sunnitische Golfstaten zich ernstige zorgen maakten over wat er zich in Bahrein afspeelde. Deze staten hebben zelf minderheden, en met name Saoedi-Arabië was bezorgd dat de onrust zou overslaan naar eigen land. Vanuit die vrees is deze actie te verklaren. De rol van Iran werd erbij gehaald als excuus. Zo van: we moeten wel ingrijpen. Omdat Iran de grote vijand is van de wereld. En dat werkte, want er kwam weinig protest van het Westen.”

Een soldaat van de Saoedische eenheid die op 14 maart Bahrein binnentrok om de koning te ondersteunen bij het herstellen van de orde in het land. Foto Reuters / staatstelevisie BahreinEen soldaat van de Saoedische eenheid die op 14 maart Bahrein binnentrok om de koning te ondersteunen bij het herstellen van de orde in het land. Foto Reuters / staatstelevisie Bahrein

De VS veroordeelden het geweld maar daar bleef het ook bij. Bahrein is de thuishaven van de Vijfde Vloot van de Amerikaanse marine en de eilandenstaat wordt ook door de VS gezien als een tegenwicht tegen het shi’ietische Iran.

De VS en de Golfstaten vreesden dat de shi’ieten streefden naar een islamitische republiek naar het Iraanse model. Volgens politiek wetenschapper Justin Gengler van de universiteit van Michigan was dat totaal onterecht. Hij concludeerde in 2009 nog na een grootschalige enquête onder de bevolking dat shi’ieten nog minder dan de sunnitische bevolking neigen naar een politiek systeem op basis van de islam, zoals Iran. Gengler vroeg zich daarom in Foreign Affairs af of de onderdrukking van de demonstraties in Bahrein niet eerder te maken had met het ontkennen van de “legitieme eisen van de oppositie” dan met de geloofsovertuiging van de shi’ieten.

Libië, Japan en Syrië en niet Bahrein

Toch leken de Westerse en Arabische wereld om die reden, de mogelijke oprichting van een ‘ongewenste’ shi’itische staat, hun aandacht eerder te vestigen op een land als Libië dan Bahrein. Bijna onopgemerkt vonden meer dan zestig demonstranten de dood in de afgelopen tien maanden, raakten honderden gewond en werden zeker 1.600 betogers en oppositieleden gearresteerd en gemarteld volgens mensenrechtenorganisaties.

Ook kreeg de arrestatie en veroordeling van de artsen en verpleegkundigen van het Salmaniyya-ziekenhuis, omdat zij hulp hadden verleend aan gewonde demonstranten, in oktober maar weinig aandacht. De gebeurtenissen in Syrië en Libië - de dood van Moammar Gaddafi - overschaduwden deze berichten. Toen het Parelplein met bulldozers met de grond gelijk gemaakt werd hielden de Japanse kernramp en de aanloop van NAVO-missie in Libië de wereld bezig.

http://youtu.be/NSpp3v5W1C0

De koning van Bahrein geeft iets toe, maar niet veel

Onder druk van internationale mensenrechtenorganisaties en de Verenigde Naties besloten de Bahreinse autoriteiten in oktober het proces van tientallen artsen en verpleegkundigen die tot wel vijftien jaar cel veroordeeld werden voor het beramen van een coupe opnieuw te doen.

Ook stelde koning Khalifa een onafhankelijk onderzoek, gefinancierd en gefaciliteerd door het Bahreinse regime, in naar het gebruik van geweld door de veiligheidsdiensten. Daarin werd geconcludeerd dat de autoriteiten inderdaad marteling en excessief geweld hadden gebruikt tegen gevangen genomen demonstranten. Toch is er nog maar weinig veranderd in het land. Roelants:

“De oppositie is in maart geheel onderdrukt en neergeslagen. Een periode van repressie volgde en dat heeft weer geleid tot meer demonstraties van shi’ieten. Door deze morrende meerderheid werd de koning gedwongen om iets toe te geven. Hij deed dat in de vorm van het onafhankelijke onderzoek. Dat rapport kan nu een uitgangspunt zijn voor hervormingen en democratisering, waar de shi’ieten van kunnen profiteren. De koning is vrij progressief, maar hij heeft ook te maken met tegenstand binnen zijn bewind. Zijn oom Khalifa bin Salman al-Khalifa, die sinds de onafhankelijkheid in 1971 premier is, wil geen hervormingen. Er is sinds het massaprotest wel iets gebeurd in Bahrein. Zo zijn er wat mensen vrijgelaten en kregen een paar ambtenaren die meededen aan de demonstraties hun baan terug. Maar het is allemaal nog zeer beperkt. De demonstraties gaan ondertussen door. Op dit moment kun je niet zeggen dat er een oplossing in zicht is. Het lijkt meer op een impasse. Er zijn weinig concrete stappen gezet en de oppositie gelooft er niet in.”

De schaduw van een Bahreinse man valt over een met bloed bevlekte stoep in de stad Sitra waar eind augustus een dode viel bij anti-regeringsdemonstraties. Foto AP / Hasan JamaliDe schaduw van een Bahreinse man valt over een met bloed bevlekte stoep in de stad Sitra waar eind augustus een dode viel bij anti-regeringsdemonstraties. Foto AP / Hasan Jamali

De demonstraties gaan dus nog gewoon door, maar de repressie ook. Columnist van The New York Times Nick Kristof, die de ontwikkelingen in Bahrein op de voet volgt, liep deze maand nog mee met een betoging en werd samen met een cameraman kort vastgehouden door de politie. De camera overleefde de aanvaring niet. Kristof:

“Just got detained briefly with a Times videographer, Adam Ellick, here in Bahrain. Adam’s camera was hit by a tear gas cannister and then he and his camera were roughed up by a policeman–after he shouted twice that he was a US journalist.We were kept in police car for 30 minutes and then, after a sr officer came over, released. Not a big deal: this happens to Bahrainis all the time.”

Kristof is overigens niet de eerste journalist die hardhandig in aanraking kwam met de Bahreinse veiligheidsdiensten. Zo werd ABC News-correspondent Miguel Marquez in februari live in de uitzending mishandeld. Kristof vraagt zich af, als dit gebeurt met westerse journalisten, wat doet de politie dan met burgers die stenen gooien? De onderstaande beelden laten zien wat er in maart kon gebeuren (schokkende beelden):

Hoewel de protestbeweging in Bahrein nog altijd leeft, lijkt er dus nog weinig veranderd voor de situatie van Bahreinse shi’ieten. Zoals de onderstaande indrukwekkende documentaire van Al Jazeera het beschrijft, blijft het voor de ontevreden burgers “schreeuwen in het donker”.

Shouting in the dark - Al Jazeera

Deze aflevering kwam tot stand met medewerking van internetredacteur Marije Willems. Lees ook in deze serie:

    • Hans Klis