Goedkope huurhuizen gaan in de verkoop

De nieuwe minister van Binnenlandse Zaken (en Koninkrijksrelaties) Liesbeth Spies (CDA) heeft haar voorganger een adviesaanvraag gestuurd die hem bekend zal voorkomen. In zijn hoedanigheid als vicepresident zal Piet Hein Donner over enige tijd de vergadering leiden waarin de Raad van State het advies aan de regering vaststelt over een opvallend plan. Het wetsvoorstel waarin huurders het recht krijgen om hun sociale woning te kopen en woningcorporaties de plicht om driekwart van hun bezit voor dit doel beschikbaar te stellen.

Spies, die van Donner ook de portefeuille Volkshuisvesting heeft overgenomen, voert daarmee uit wat vorig jaar in het regeerakkoord al werd aangekondigd en wat ook onderdeel was van de ‘Woonvisie’ die Donner als minister in juli van dit jaar naar de Tweede Kamer stuurde. Belangrijke elementen daarvan waren de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting en de verzekering van het kabinet dat het niet aan de hypotheekrenteaftrek zou tornen.

Maar zeker zo principieel en niet onproblematisch was het aangekondigde kooprecht voor huurders. Automatisch houdt dit een plicht voor de corporaties in om hun woningen te verkopen. Dat lijkt strijdig met het eigendomsrecht. Een vraagstuk dat de Raad van State zeker onder ogen zal zien; het treft wellicht dat ten minste één staatsraad daar vast al grondig over heeft nagedacht.

Dat het kabinet zo ver zou gaan, was op basis van de verkiezingsprogramma’s van VVD en CDA, en van gedoogpartner PVV, niet te verwachten. Daarin bepleitten zij slechts stimulansen voor de verkoop van sociale huurwoningen, maar geen aantasting van het eigendomsrecht.

In het algemeen zijn er goede redenen om het eigenwoningbezit te stimuleren. Het eigen huis draagt bijvoorbeeld bij aan de vorming van eigen vermogen en kan dus een nuttige oudedagsvoorziening vormen. De vraag is wel of de wet, eenmaal aangenomen, op korte termijn veel effect zal hebben. De corporaties bieden de laatste jaren al meer huurwoningen te koop aan dan er worden verkocht en banken zijn op het ogenblik zuinig met het verstrekken van hypotheken.

Feit is wel dat er in Nederland meer sociale huurwoningen (2,4 miljoen) zijn dan huurders die op grond van hun lage inkomen voor toewijzing in aanmerking komen (1,9 miljoen). Maar de regionale verschillen zijn groot. Vooral in de grote steden bestaan lange wachtlijsten voor de goedkopere huurwoningen. Of corporaties aan die vraag kunnen blijven voldoen als ze 75 procent van hun bezit moeten afstoten, is een reële vraag. Ten minste is te hopen dat de sociale huurwoningen die in de verkoop gaan, geen doelwit van speculatie worden. Ze dienen beschikbaar te blijven voor de bevolkingsgroepen waarvan de huisvesting een primaire zorg voor de overheid hoort te zijn: de lagere-inkomensgroepen.