De toekomst van toen

Rondom het Spui in Amsterdam kun je een kleine ontdekkingsreis maken door een stukje onzichtbaar geworden recente geschiedenis. Galerie Le Canard was na de oorlog het centrum van een nieuwe generatie.

"Het Lieverdje " op het Spui te Amsterdam. Beeldhouwer Carel Kneulman(1960). Nederland, april 1966. LET OP! Dit is een minimaal bewerkt lowres bestand. Wilt u een groter en/of bewerkt bestand neem dan contact op met 070-3314160 of verkoop@spaarnestadphoto.nl.;

Maak op een van de laatste dagen van dit jaar eens een wandelingetje over de Nieuwezijds Voorburgwal, het stukje tussen het Spui en de Paleisstraat. En dan terug door de Spuistraat. Het duurt niet langer dan een half uurtje, er is wel veel van het oude Amsterdam te zien maar weinig dat wereldberoemd is. Daar gaat het nu ook niet om. We gaan met behulp van dit verhaaltje een kleine ontdekkingsreis door een stukje onzichtbaar geworden recente geschiedenis maken. Ik put uit mijn geheugen.

In 1950 had ik als student een kamer in de Raadhuisstraat, nummer 43, in de bocht waar op 10 maart 1966 bij de bruidsstoet van prinses Beatrix en Claus von Amsberg de rookbom is ontploft. Op weg naar de universiteit kwam ik langs een boekhandel, antikwariaat d’Eendt, op de hoek van de Raamsteeg en de Spuistraat. Daar stond in de etalage tussen de oude boeken een marmeren Christuskop, omwonden met prikkeldraad en met sporen van rode verf op de wangen en het voorhoofd. Dat maakte me nieuwsgierig. Nadat ik er nog een paar keer langs was gekomen ben ik naar binnen gegaan. Ik trof een keurige heer van een jaar of 35. Wat is de bedoeling van deze Christus, vroeg ik. Hij glimlachte en zei: „Dat is ironie meneer.”

Hans Roduin, zo heette hij. We raakten in gesprek, ik kreeg een kopje koffie en ten slotte ben ik de deur uitgegaan met een boek, Die Flucht aus der Zeit, de autobiografie in aforismen van de Duitse dadaïst Hugo Ball, verschenen in 1927. Ik citeer: „Alles funktioniert, nur der Mensch selber nicht mehr.” (pag. 83). Dat was me toen uit het hart gegrepen.

Ik kreeg ook nog een klein blaadje met gestencilde tekst, het eerste nummer van Braak, het tijdschrift van de Experimentelen. Het begon met een gedicht van Remco Campert. „Dichten is liegen op hoger plan”; een paar regels verder „liefs erwtenborsten worden een verrukkelijk span” en tot besluit: „maar voor de deur staat een man al dagen lang te braken.”

Van Rudy Kousbroek staat in dit nummer een essay waarin hij vaststelt dat je overal in de naoorlogse Nederlandse literatuur „het volle clean-shaven gezicht van Menno ter Braak tussen de regels door ziet schemeren”.

Bij Hans Roduin ging ik voortaan regelmatig op bezoek. In d’Eendt heb ik Bert Schierbeek en Gerrit Kouwenaar voor het eerst ontmoet, en de schilders Eugène Brandts, Constant en ik denk Karel Appel. En toen heb ik er ook het Hollandnummer van het tijdschrift Cobra gekocht, verschenen ter gelegenheid van de Cobra-tentoonstelling in het Stedelijk Museum, een jaar eerder. In deze aflevering staat het gedicht van Lucebert, Verdediging van de 50-ers. Zo eindigt het: „Tegen uw muren zwellen wij met het rapalje tot een blaas,/ En zware zak vol lachen, krampen, gillen en geraas,/ Uw hemel wordt met onze zwerende ervaring overladen.”

Wederopbouw

Voor mij is dit nog altijd een van de krachtigste formules van mijn generatie, degenen die tussen ongeveer 1920 en 1930 zijn geboren. We waren kinderen in het conservatieve, verzuilde en door de crisis geteisterde Nederland. Het beslissende deel van onze opvoeding, de puberteit, viel samen met vijf jaar oorlog en bezetting, met als apotheose de Hongerwinter. Na de Bevrijding braken de jaren van de materiële en de politieke restauratie aan. Met grote energie begon de natie aan de wederopbouw. Maar de Doorbraak, de poging om aan de politieke verzuiling van het bestel een eind te maken, mislukte. In plaats daarvan begon de oorlog met Indonesië. (Indië verloren, rampspoed geboren.) Vier jaar heeft de strijd geduurd. Op het hoogtepunt hadden we een leger van tegen de 150.000 man aan de andere kant van de wereld. Een prestatie, vergelijkbaar met die van de Amerikanen in de Tweede Golfoorlog.

Toen voltrok zich het volgende mirakel. Na de overdracht van de Souvereiniteit, eind 1949, hernam de natie het dagelijks leven, praktisch alsof er niets was gebeurd. Er kwamen berichten dat onze soldaten zich aan oorlogsmisdaden hadden schuldig gemaakt. Die werden met helse verontwaardiging tegengesproken. Twintig jaar later kwam J.E. Hueting voor de VARA-televisie met zijn onthullingen. Dezelfde schuimbekkende razernij. Zijn beschuldigingen werden bevestigd door J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix in hun boek Ontsporing van Geweld. En eindelijk, in 1995, is De Excessennota verschenen, de officiële publicatie.

In dit koloniaal verband nog één markant incident aan de fronten van het generatieconflict. In 1951 verscheen in het literaire maandblad Podium de eerste aflevering van Ik heb altijd gelijk, roman van W.F. Hermans. Een troepenschip met aan boord de veteraan Lodewijk Stegman nadert de vaderlandse kust. Hij beseft dat die oorlog in de Oost voor niets is geweest. Hij barst uit in een laaiende woede, vooral tegen de katholieken. „Die planten zich voort! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg, met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!” Enz. Hermans werd aangeklaagd wegens belediging van een volksdeel maar vrijgesproken. Niet hij had dit gezegd maar een van zijn romanfiguren. Later richt Stegman samen met de zakenman Key ter vernieuwing van de natie een politieke partij op, de Nederlandse Europese Eenheids Partij. Key heeft een voetbalkrantje dat Voetbal Europa heet. Dat zal voortaan als partijorgaan dienen. In de verte doet het wat aan de LPF denken.

Zo dringt aan het begin van de jaren vijftig het generatieconflict door tot de nationale publiciteit. Wat dit aangaat is de Podiumavond op 1 maart 1951 de volgende historische gebeurtenis. De zaal was stampvol; een zeer gemengd publiek, van de jonge aanhang van de redactie tot conservatieve kunstminnaars uit Oud Zuid die wel eens met eigen ogen en oren wilden zien en horen wat de opkomende generatie ervan terechtbracht. Lucebert, wiens optreden altijd een zweem van een bescheiden plechtigheid had, verscheen op het podium. Hij had een exemplaar van de dikke Van Dale bij zich. Hij begon met het gedicht De minister-president. De minister-president is een kanon. Piep, piep, piep.

Er ontstond een begin van onrust in de zaal. Hij sloeg het woordenboek open en zei: „Een woordenschat uit het Nederlands woordenboek de Van Dale, gelezen door een vandaal. Pik, zelfstandig naamwoord, mannelijk geslachtsdeel. Neuken, werkwoord.” Nog meer in dit genre. Er ontstond onrust in het publiek, de meest verontwaardigden baanden zich een weg naar de uitgang. Lucebert ging onverstoorbaar verder met het volgende gedicht, zei „Herfst” en gooide een glas water over zijn hoofd. Ten slotte kondigde hij het gedicht Sterrenhemel aan en stak een paar kerststerretjes af. Een suppoost riep „Brand!”, de brandweer kwam aangerend, de Podiumavond was afgelopen. De dag daarop werd er door De Telegraaf en nog een paar kranten diepe schande van gesproken.

Terug naar de Spuistraat, de winkel van Hans Roduin. De culturele zaken floreerden dusdanig dat hij aan de overkant in een oud pakhuis de galerie Le Canard had geopend, misschien niet toevallig met werk van Piet Ouborg die kort tevoren voor zijn Vader en zoon, een bewust naïeve voorstelling, de Jacob Marisprijs had gekregen. Ook deze bekroning wekte publieke razernij. Al eerder was een wandschildering van Karel Appel, Vragende kinderen, in de kantine van het gemeentehuis overgeschilderd omdat de ambtenaren geen hap meer door de keel konden krijgen als ze ernaar keken. In Le Canard werden ’s avonds ook jazzconcerten gehouden. Het was een centrum van de nieuwe generatie.

Café Scheltema

Aan de Voorburgwal naast het vroegere gebouw van het Algemeen Handelsblad, aan de overkant van een steeg die Keizerrijk heet, staat nog steeds café Scheltema. Veel mensen denken dat het toen een journalistencafé was. Nee. Journalisten kwamen er ook, maar in werkelijkheid was het een café van de Amsterdamse bohème. Schilders, dichters, schrijvers, een paar dronkenlappen en zwervers beschouwden het als hun stamkroeg. Er zijn redactievergaderingen van Podium gehouden, Wim T. Schippers heeft er veel van zijn absurditeiten bedacht, later heeft Robert Jasper Grootveld er zijn fantastische monologen afgestoken, de schilder Hans Koetsier besprak er met vrienden zijn revolutionaire plannen. Toen de oorlog in Vietnam op zijn hoogtepunt was, wilde hij 10.000 liter bloed (van dieren) op de Dam uitstorten. Op het Binnenhof in Den Haag een monument voor het Lege Gebaar oprichten.

Toen begon Amsterdam te veranderen. De kranten verhuisden naar andere oorden en daarmee was ook een essentieel bestanddeel van de vitaliteit verdwenen. Galerie Le Canard ging dicht. Gaandeweg veranderde de bestemming van het hele buurtje. Alleen het Spui heeft nog veel van vroeger bewaard. Daar staat Het Lieverdje, het bronzen beeldje van het Amsterdamse straatschoffie, gemaakt door Carel Kneulman en in 1960 onthuld door mevrouw Van Hall, echtgenote van de burgemeester. Het is aangeboden door de Hunter-sigarettenfabriek. Dat staat op de bronzen plaquette. Iedere vrijdag is op het Spui de uitgebreide boekenmarkt. En aan de overkant staat de prachtige boek- en tijdschriftenwinkel Athenaeum. Dat hebben we aan Johan Polak te danken.

Ook al jaren geleden hadden Hans Koetsier (hij is intussen gestorven) en ik het plan, weer eens naar Scheltema te gaan. We deden de deur open en keken naar binnen. „De uitgebrande hel”, zei Hans. We zijn verder gegaan. Toen, in 1996, kwamen Tom Rooduijn (zoon van Hans) en ik op het idee, de grondleggers van de nieuwe kunsten te interviewen. De meesten leefden nog. Dat is een boek geworden, Dwars door puinstof heen. Alle bijdragen zijn op een cd opgenomen. De titel is ontleend aan een gedicht van Remco Campert, geschreven in 1950, toen het puinstof verstikkend was.