Conceptuele kunst blijft hardnekkig telkens de kop opsteken

Wat ging hij tekeer, de Britse verzamelaar Charles Saatchi, in zijn opiniestuk begin december in The Guardian. Tegen de rijke stinkerds die met hun zeiljachten aanmeren bij biënnales en kunst van grote namen blindelings kopen. Tegen de critici, die niet verder kijken dan hun neus lang is. En tegen de tentoonstellingsmakers, die „het oog” voor kunst missen en vooral video’s en onbegrijpelijke installaties tonen aan hun al even bijziende collega’s – „geconceptualiseerd werk dat sinds de jaren zestig schaamteloos herkauwd wordt”, aldus Saatchi.

Wat dat laatste betreft heeft Saatchi een punt. Want het is opvallend hoe de conceptuele kunst opnieuw een opmars maakt. Of het nu gaat om Mark Wallinger die de Turner Prize won met replica’s van protestborden, of om Teresa Margolles die in Venetië het Mexicaanse paviljoen waste met het bloed van slachtoffers uit de drugsoorlog, feit is dat het bij veel hedendaagse kunst meer om het concept dan om het ambacht draait. Duchamps oude idee dat iets kunst is als de kunstenaar zegt dat het kunst is, ook al is het een pispot, blijkt nog even actueel als een eeuw geleden.

Saatchi noemt geen namen, maar misschien dacht hij wel aan Christian Jankowski toen hij zijn litanie schreef. Deze Duitse kunstenaar haalde in oktober een aardige stunt uit door op de Frieze Art Fair een jacht te koop aan te bieden. Als boot kostte het 65 miljoen euro, maar als kunstwerk – „The Finest Art on Water” – moest je 75 miljoen neerleggen. Voor de mindervermogenden was er een sloep te koop, die 500.000 of 625.000 euro kostte. Urinoir of luxejacht, wat is het verschil?

Nu was het in de beeldende kunst altijd al goed gebruik om ideeën van verre voorgangers in een nieuw jasje te steken. Eigenlijk is de hele kunstgeschiedenis één grote cyclus van retrostijlen, van neoclassicisme tot neo-expressionisme en van Neo Geo tot Neo-pop. Maar de hardnekkigheid waarmee de conceptuele kunst keer op keer van zich laat horen is uniek. De conceptuelen van nu behoren inmiddels tot de vierde generatie – na Duchamp, Joseph Kosuth en de Young British Artists.

Het grappige is dat juist Charles Saatchi een cruciale rol heeft gespeeld in de promotie van de conceptuele kunst, toen hij werk van kunstenaars als Damien Hirst en Tracey Emin begon te verzamelen. De huidige generatie – onder wie opnieuw veel Britten – is vooral aan hen schatplichtig. En qua ideeënrijkdom doen deze jongeren nauwelijks onder voor Saatchi’s protegés. Sterker: ze zijn poëtischer, grappiger, intelligenter ook. Kijk naar Roger Hiorns die een tot stof uiteengevallen vliegtuigmotor tentoonstelde. Of Jonathan Monk, die alvast een marmeren grafsteen voor zichzelf maakte (1969-) en sinds 2002 ansichtkaarten aan musea stuurt in plaats van aan zijn familie.

Van „schaamteloos herkauwen”, zoals Saatchi schreef, is geen sprake. Er wordt momenteel goede conceptuele kunst gemaakt, maar je moet er, om met Saatchi’s eigen woorden te spreken, wel oog voor hebben. Niet voor niets noemde de Cubaan Wilfredo Prieto, die onlangs bij Galerie Annet Gelink exposeerde, zijn expositie De nieuwe kleren van de keizer. Zoals de naakte keizer uit het sprookje gelooft dat hij een gewaad van de mooiste zijde draagt, zo moet je bereid zijn mee te gaan in de gedachtenwereld van de kunstenaar. Is een schip als kunst meer waard, puur omdat de kunstenaar dat zegt?

In dat opzicht heeft kunst een raakvlak met religie: je moet erin geloven.

    • Sandra Smallenburg