Anders dan gewoon motorrijden

In de rubriek Verdwenen bespreekt Rob Biersma (bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag: „In Engeland denderden halve caravans over de weg.”

Na de Tweede Wereldoorlog werd de motor met zijspan korte tijd populair. Een motor was niet duur en zo’n zijspan maakte dat je met een jong gezin erop uit kon: moeder achterop, twee kleine kinderen in het bakje. Helmen waren niet verplicht. Veel motoren met zijspan kwamen vrij uit de militaire dump.

Zo begon de Wegenwacht van de ANWB in 1946 met zeven geel geschilderde Amerikaanse Harley Davidson Liberators. Later kwamen daar Engelse BSA’s bij. Pas begin jaren zestig kreeg de Wegenwacht besteleenden als vervanging.

Intussen toerden vele Nederlanders met allerlei zijspannen rond, vooral op Duitse BMW’s en zware Zündapps uit het Duitse en Britse leger. Zelfs lichte Vespa-scootertjes (150 cc) werden met een ‘bakkie’ uitgerust. Later verschenen er zware Russische Urals en MZ’s met zijspan uit de DDR, grotendeels uit plastic, het Trabantje van de motorwereld. Een zijspan werd altijd rechts gemonteerd, het zijspanwiel iets voor het achterwiel. In Engeland, waar het zijspan links zat, nam de zijspanrage grotere vormen aan. Halve caravans denderden over de weg.

Een motor met zijspan berijden is iets anders dan gewoon motorrijden. Een gewone motor gaat schuin de bocht door. De band is rond op doorsnede om dat mogelijk te maken. Een motor met zijspan blijft daarentegen rechtop, hij rijdt door de bocht als een auto. Als het goed is, heeft hij banden met een vlak loopvlak. Vooral zijspancombinaties, motorfietsen die helemaal zijn aangepast aan het zijspanrijden, hebben ‘autobanden’.

Maar een groter verschil maakte het rijden zelf. De meeste zijspannen hadden geen eigen rem. Als de motor remde, reed de massa van het zijspan door, waardoor de hele combinatie naar links draaide. Omgekeerd draaide de combinatie naar rechts bij fors gasgeven. De asymmetrische opzet van een motor met zijspan maakte het tot een moeilijk voertuig dat alleen met de grootst mogelijke behoedzaamheid bereden kon worden. Berucht is het over de kop slaan bij een te hard genomen linkerbocht.

Bij zo’n moeilijk voertuig kon racen natuurlijk niet achterblijven. Studio Sport besteedde er de eerste jaren altijd veel aandacht aan, met veel stuntwerk van de ‘bakkenist’ die over de hele motor klauterde in de bochten. Later werden zijspanracemotoren laag, lang en gestroomlijnd en was de aardigheid eraf.

De Nederlandse politie heeft tot in de jaren zeventig de motor met zijspan in ere gehouden. Vooral prettig met rellen door zijn onberekenbare weggedrag, de agent met de knuppel in het zijspan. Maar ook om het hart van de burger te winnen met stuntteams met vijf op elkaar staande agenten op één motor met zijspan, of rondjes rijden met het zijspan los van de grond.

Vandaag de dag is de motor met zijspan nog iets voor liefhebbers die in motorclubs in het weekend erop uit trekken. Een zijspan wordt op bestelling gemaakt, meestal met zijspanrem en gesloten koetswerk. Maar de motorrijder die op vakantie iets extra’s mee wil, geeft de voorkeur aan een aanhangwagentje.