Recensie als schriftelijke cursus muziekgeschiedenis

De Willem Pijper Stichting heeft tot doel om componist en conservatorium-directeur Willem Pijper meer bekendheid te geven. In het kader daarvan wordt zijn volledige werk uitgebracht. Pijper blijkt een verdienstelijk schrijver te zijn geweest, door Vestdijk nog betiteld als ‘letterkundige’.

Bij het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 gaat het huis van Willem Pijper aan de Schiekade in vlammen op. Pijper geldt op dat moment als een prominent componist van Nederland en is bovendien directeur van het Rotterdamse conservatorium, dat eveneens in puin wordt gelegd. Zijn partituren heeft hij tijdig elders ondergebracht, maar Pijpers bibliotheek en archief vallen ten prooi aan het vuur.

Hoewel Pijper op het balkon Noord van het Concertgebouw vereeuwigd is naast de door hem bewonderde Ravel, is hij tegenwoordig buiten muziekkringen nauwelijks nog bekend. De Willem Pijper Stichting wil daar verandering in brengen met een volledige uitgave van zijn oeuvre, te beginnen met ‘het letterkundige werk’. Dat mag overdreven lijken voor een componist van wie zelfs de muziek uit het collectieve geheugen is weggevallen, ware het niet dat Pijper bij leven ook als criticus en essayist grote faam genoot.

Willem Pijper werd in 1894 geboren in Zeist. Hoewel op het gymnasium zijn belangstelling uitging naar biologie, studeerde hij aan de Toonkunst Muziekschool in Utrecht piano en compositie bij onder anderen Johan Wagenaar. Al in 1918 werd zijn werk uitgevoerd door het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg, en enkele jaren later volgden internationale successen.

Om in zijn levensonderhoud te voorzien schreef Pijper muziekkritieken en essays in dagbladen en periodieken. Toen hij in 1930 directeur werd van het nieuwe Rotterdamse Conservatorium daalde zowel zijn muziek- als zijn tekstproductie sterk, al was hij in de tweede helft van de jaren dertig nog vaste muziekmedewerker van De Groene Amsterdammer. Brede bekendheid als muziekauteur verkreeg Pijper met twee bij Querido verschenen bundels, waarin niettemin slechts een fractie van zijn teksten verzameld is: De quintencirkel (1929) en De stemvork (1930). Op basis van die twee succesvolle boekjes noemde Vestdijk hem een ‘letterkundige’ en portretteerde hem in 1961 tussen literaire collega’s als Slauerhoff en Achterberg.

Dat aspect van Pijpers persoon is wel het grondigst in vergetelheid geraakt. Wellicht komt daar nu verandering in; met de publicatie van Het Papieren Gevaar. Verzamelde geschriften (1917-1947) kan in ieder geval voor het eerst worden gereconstrueerd wat er in de vuurzee aan de Schiekade verloren is gegaan.

Abonnees kunnen het hele artikel van Joep Stapel hier lezen.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 23 december 2011, pagina 6 - 7.

    • Een onzer medewerkers