Klein keuken Kerst

Al maanden hebben wij (personeel, bewoners en familie) er met zijn allen naar toe gegonsd! Ik was er als de kippen bij, meteen toen ik lucht kreeg van het kerstdiner, al in september, knalde ik mijn naam (plus een) op de intekenlijst. Eindelijk is het zover en barst het feest los!

Het is een drukte van belang in de huiskamer, de dames, kerstversiering, kinderen, kleinkinderen, rollators. We gaan op de bank zitten, mijn moeder en ik.

„En jij daar!” mijn moeder wijst Annie op een stoel naast haar. „Snel anders gaat er een ander in zitten!”

„Wilt u een glaasje champagne?” vraagt Annie aan mijn moeder. „U ook mevrouw Wormerveer, en uw dochter ook?”

„Nou, graag”, roepen ze allemaal. Ik ga glazen pakken.

Bij het kookeiland staat een vrouw stokbrood op te piepen. Dat gaat niet in de magnetron, maar dat is haar ding besluit ik want ze heeft een speldje op de borst waarop de levensgevaarlijke tekst te lezen valt: vrijwilliger.

Hoewel ik altijd van iedereen mijn gang mag gaan in de kitchenette zinkt de moed mij in de schoenen. Ze staat toch voor de servieskast dus ik vraag: „Mag ik er even bij, even wat glazen pakken?”

„Glazen?” vraagt ze achterdochtig, „waarvoor?”

„Ik wil een drankje inschenken.”

„O, nee!” roept ze streng. „Dat kan nog niet, dat doen we straks pas!”

„O, wat hebben we het hier toch goed”, zucht mevrouw Wormerveer. „Nietwaar poppenkoppie?” en ze pakt mijn moeders hand.

„Kom maar vast mee”, roept een van de zusters na een uurtje. „We gaan vast naar de grote zaal!”

„Waar gaan we heen zuster?” klinkt het almaar op uit de rollatorfile.

„Naar de grote zaal.”

„Wat zegt ze?”

„De grote zaal.”

„Krijgen we gym?”

De boel is nog niet helemaal in orde in de grote zaal. Het neonlicht is oogverblindend. Ik zie cateringdozen glimmen en feestelijk gedekte tafels. De zusters draven zenuwachtig rond met papieren schemerverlichting en schalen voor het koud buffet. De opkomst is enorm. De feestgangers blijven binnenstromen.

„Wat is er aan de hand?” vraagt mijn moeder, „is er iemand jarig?”

De grote zaal blijkt te klein. Geen nood, de harmonicawand scheurt open. Er komt nog meer multifunctionele groepsruimte vrij, tegen de achtermuur staat een rijtje droogkappen.

Mevrouw Wormerveer wijst naar de kerstkransen aan de muur. „Zijn dat allemaal rouwkransen?”

„Haar broer is net dood”, giechelt haar dochter, „vandaar!”

De sfeerverlichting is aan, het koude buffet ligt te blinken op zilveren schalen. De zusters staan op een rij.

„Vrolijk kerstfeest”, zeggen ze, en: „u kunt aanstonds, tafel voor tafel, toetasten.”

Er komt een man binnen met plaksnor. Hij heeft een hoge hoed op. Op de hoed glimmen kerstlampjes. Hij draagt een pandjesjas en klemt een dik boek onder de arm.

„Daar heb je de begrafenisondernemer al”, zegt mevrouw Wormerveer.

Er klinkt gelach.

Ssssst! doet de vrijwilligster.

„Ik ga u het kerstverhaal vertellen”, zegt de man.

„Dat kennen we toch al”, klinkt het boos vanuit een rolstoel.

„Er was eens een timmerman met zijn vrouw...”

„Dat is de zoon van mevrouw Kistenmaker”, hoor ik iemand zeggen.

„Die timmerman?” vraagt een ander.

„Heirlijk”, zegt mevrouw Wormerveer, als we even later zitten te smullen van onze papieren bordjes.

„Die man daar met dat witte jasje”, zegt ze vol ontzag, ze wijst naar de zoon van mevrouw Map, „is vast de hoofdkok!”

„O, o!” zucht ze nog maar een keer, „wat hebben we het hier toch goed!”

„Is dat zo mam?”

„Maak”, mijn moeder kijkt Annie en mij beurtelings doordringend aan, „dat jullie hier ook geplaatst worden.”

    • Tosca Niterink