Baai der Ontgoocheling

Sebastiane van Hoppe vertrok in 1956 met haar man en drie kinderen naar Australië. Vijf jaar en nog drie kinderen later keerde het gezin terug naar Nederland. Zoon Frank Vermeulen ging met haar terug. Waarom mislukte het Australisch avontuur?

Mijn moeder kijkt peinzend om zich heen, wijsvinger op haar bovenlip, duim onder de kin. Naar de boetiekjes, de villa’s, de smetteloze plantsoenen. „Er was hier helemaal niets”, zegt ze. De blikkerende middagzon schijnt over de haven aan Deception Bay, nu gevuld met de witte zeiljachten van geslaagde burgers van Brisbane. „Toen lagen er alleen een paar prawners, garnalenvissers.”

Het was hier, op dit schiereiland aan de Baai der Ontgoocheling, dat zij met mijn vader in het gehucht Scarborough vijf jaar lang een nieuw leven probeerde op te bouwen.

„Ik had een surf dude kunnen worden, of zo’n jacht kunnen hebben”, zeg ik. „Och, jij”, zegt mijn moeder.

Ik had ook twintig jaar kunnen wachten en putten uit mijn eigen geheugen. Dat meer der herinnering, dat in werkelijkheid eerder een moeras is. Mijn vader is dertig jaar geleden overleden, maar mijn moeder (85) is er nog en haar heb ik vanuit Nederland meegenomen naar het land van herkomst. Ik ben hier geboren, 53 jaar geleden, en zij is de kroongetuige die opheldering moet geven.

Vragen genoeg. Bijvoorbeeld: waarom ging het mis? Dat kon toch niet alleen maar haar heimwee zijn geweest? En hoe was dat nieuwe leven in het totaal vreemde land voor haar? Wiens idee was het eigenlijk om naar de andere kant van de wereld te verhuizen met drie kleine kinderen? Haar idee? Omdat ze als dochter van een oud-Indisch ambtenaar niet paste in het Brabantse dorp waar de familie was neergestreken? Of was het een idee van mijn vader? Die had van 1945 tot 1949 de openbare orde en veiligheid hersteld in Nederlands-Indië. Beviel hem het klimaat niet?

Dat zijn tenminste de oude antwoorden. Uit de kindertijd, van de dia-avondjes. Vast ritueel. Een paar keer per jaar wordt het projectiescherm opgehangen, zet mijn vader de projector op het keukentrapje en zitten we met zijn allen in het donker te kijken naar een verleden in Technicolor. Een land van horen zeggen, met blauwe luchten, pisangpalmen, Blue Mountains, en een rossig gravelstrand. En bij elke dia iedereen schreeuwen wat er niet te zien is. Dat er een blue tongue lizard onder het huis woonde. Maar die deed niks en spinnen heetten daar daddy long legs. Mijn moeder die zegt dat Judy naast dat bedje zooo’n grote kakkerlak zat op te eten. Of dat Frank (‘Frenk’ zeggen ze thuis) op die muur schilderijen maakte met poep uit zijn luier. En mijn vader zwijgt. Die had in dat donker naast het keukentrapje heimwee, denk ik nu. En wij allen werden gestempeld met een diep verlangen naar elders.

We lopen naar de straat waar ons eigen huis stond. Ik loop achter haar, want trottoirs zijn hier beperkt tot een smalle strook betoncement over een grasberm. De straten zijn snelwegbreed, omzoomd door bloeiende flamboyanten. Dit is een land van auto’s, niet van wandelaars.

„Dat was toen al zo”, zegt ze. „’s Zondags gingen we wandelen. Papa met Judy en jij op zijn fiets. Ik met de kinderwagen, met Alice erin, en Roel staand op de achteras. Erik en Hedwig liepen zelf.” Ze spreidt haar armen omhoog en doet een kleuter na die achterop een kinderwagen staat. „De Australiërs wandelden niet, die reden langs in hun auto’s. Die hingen helemaal schuin, omdat ze allemaal aan de ene kant van de auto gingen zitten om naar ons te kijken. Hoe wij daar liepen. Dat hadden ze nog nooit gezien.”

Die fiets had mijn vader meegenomen uit Nederland, had ze eerder verteld. Nederland stimuleerde emigratie. Dus kregen mijn ouders een premie, de overtocht werd betaald en ze mochten een kubieke meter bagage meenemen. Mijn vader demonteerde zijn herenfiets en stopte die in de kist. „Van de premie kochten we nieuwe meubels en die grond hier”, zegt mijn moeder terwijl ze met haar kin in de richting van onze oude straat wijst. „Dit was allemaal bush hoor, toen. Er waren ook ananasvelden en moerassen. Maar we moesten eerst nog sparen voordat we een huis op onze grond konden zetten.”

Op de plek waar ons huis stond staan nu twee huizen: het kavel is later gesplitst. „We woonden hier met vier Nederlandse families. Dutchies, noemden de Australiërs ons.” En dat was niet positief bedoeld.

Australië wilde dat immigranten assimileerden, geheel opgingen in de samenleving. Dat begon al met de selectie in Nederland. Bijvoorbeeld: geen Aziaten. En in mijn moeders paspoort stond als geboorteplaats Batavia. „Daar deden ze erg moeilijk over. Maar eenmaal hier deden we erg ons best om aan te passen. Thuis spraken we Engels met jullie.”

We staan wat later bij de bushalte om de hoek. „Stond ik hier met vier kinderen en een baby op de arm. Stond daar een oud Australisch vrouwtje dat zei: Your hubby doesn’t sleep much, does he?” Mijn moeder lacht een beetje. Maar ik ken dat lachje. „Vond je dat grappig?” vraag ik. „Nee, vreselijk natuurlijk! Dat ik zo voor schut werd gezet.”

Het was oorspronkelijk niet haar idee geweest, die emigratie. Als we aan de limonade zitten bij een fish and chips-winkeltje zegt ze dat ze van tevoren bang was om heimwee te krijgen naar haar moeder, haar ‘moesje’. Ons eerste huis, dat we met twee families deelden, stond iets verderop naast dit winkeltje. En het staat er nog. Een breed plat houten huis, op poten, zoals de meeste oudere huizen hier eruit zien. Om de hoek staat nu nog het huis dat we vervolgens huurden in afwachting van de bouw van ons eigen huis. Toen ik werd geboren, woonden we daar, zegt mijn moeder.

Papa wilde graag hiernaartoe. Weg uit Nederland. Hij kon er niet meer aarden na Indië. Te veel regeltjes, zei hij altijd.” Op den duur liet ze zich ompraten en wilde zij zelf ook. Zowat alle jonge mensen met wie ze omgingen in het dorp waar zij woonden liepen met emigratieplannen rond. Er waren voorlichtingsavondjes van de overheid. Brochures. Aantrekkelijke premies. Nederland was vol, werd gezegd. Je kon je kinderen een betere toekomst geven in het buitenland. Adinda, een oudere zus van mijn moeder, was al in 1949 vertrokken. Naar Curaçao. Haar oudste broer, Harry, zou naar Nieuw Zeeland gaan. „Maar twee neven van papa zaten hier. En dat gaf de doorslag. In 1956 vertrokken we.”

Weinig kon de landverhuizers tegenhouden. Ook niet tegenslag van anderen. Een jong boerenechtpaar vertrok naar Zuid-Amerika, maar binnen een half jaar was de bruid weer terug. Haar man overleden aan een slangenbeet. „Was jij niet bang?” vraag ik. „Ja, natuurlijk”, zegt ze, „Ik zorgde ervoor dat het lange gras achter ons terrein regelmatig werd afgebrand.”

Ze tuurt naar achter in de winkel waar een vrouw achter de toonbank in de weer is met dozen. „Weet je dat ik hier elke vrijdag fish and chips haalde? De plek naast de winkel werd door de mannen de snake pit genoemd. Daar stonden buurvrouwen dagelijks met elkaar het leven door te nemen.”

Vanaf de eerste dag in Australië gingen de dingen al anders dan gehoopt. In Nederland hadden de Australische autoriteiten mijn vader, die onderwijzer was, verzekerd dat er grote vraag was naar leerkrachten. Na aankomst bleek dat die banen vooral in het binnenland waren, in de outback. Daar wilde men geen jong gezin naartoe sturen. Mijn ouders werden daarom ondergebracht in een immigrantenkamp, in Wacol bij Brisbane. „Dat waren militaire barakken opgetrokken uit hardhouten frames met muren van fibro . Geperst asbestcement. Toen wisten we nog niet dat asbest gevaarlijk was.” Het gezin, dat toen drie kinderen telde, woonde in twee hokjes.

„Na een dag of vijf werden we opgehaald door die neef van papa, die hem had overgehaald hiernaartoe te verhuizen. Diens buurman had hem gevraagd hoe het kon dat hij zijn familie in dat kamp liet zitten.”

Anderhalf jaar duurde het voordat mijn vader als onderwijzer aan de slag kon. „Hij heeft van alles gedaan. Meelbalen gesjouwd, kinderspeelgoed gemaakt. En gewerkt bij die neef als schilder. Moest hij spoorwegstations schilderen. Hij was zo gelukkig toen er uiteindelijk hier vlakbij een baan was aan de State School.”

Mijn moeder had de katholieke kerk en wat Nederlandse kennissen die daar kwamen. En met de buren was het aanvankelijk gezellig. In het weekend gingen ze naar de bioscoop in het nabijgelegen Redcliffe. De ene week de vrouwen en de andere week de mannen. De thuisblijvers pasten op de kinderen. Ze had haar buurtwinkel, en de bus als vervoermiddel. En bij de winkel was een telefooncel waarmee ze een taxi kon bellen als ze in Brisbane City naar het ziekenhuis ging in verband met haar constante zwangerschappen. „En met de bus ging ik naar Redcliffe. Naar ‘Woolies’. Zo noemden we warenhuis Woolworth’s.”

Veel dingen werden ook bezorgd. Zo was er de cakeman, bij wie ze wekelijks dadelscones kocht. De melkman die midden in de nacht kwam omdat melk overdag zou bederven. En dan was er de poopman, die twee keer per week de poepdoos ophaalde omdat er geen riolering was. Aanvankelijk was er ook de iceman geweest die twee keer per week een blok ijs bracht voor de ijskast. „Maar later had ik een enorme roze elektrische ijskast, dat was mijn trots”, zegt mijn moeder.

Als we in Redcliffe bij de nieuwe pier zitten, die zij de ‘jetty’ noemt, vertelt ze dat we uiteindelijk ook een televisie hadden. In 1960 ofzo. Gehuurd omdat mijn oudste broer en zus er zo om hadden gezeurd, want er waren ook buren met een tv.

Onder het dagelijks leven knaagde bij haar het heimwee. In Nederland had ze tussen haar familieleden gewoond. Het nieuwe land was zo anders. Het was een ruige gemeenschap op het schiereiland van Redcliffe. Er waren garnalenvissers die rollebolden met een buurmeisje. Vrouwen werden door hun mannen in elkaar geslagen. Kinderen door hun ouders. „De hele dag hoorde je kinderen huilen die met de riem werden afgeranseld. Belting heette dat.”

En er kwam ruzie met de buren. Althans met een van de twee andere families. Hun zoontjes haalden allerlei kattekwaad uit, gooiden met stenen naar de meisjes van de andere families. „Altijd als ik mijn was ophing ging een buurvrouw rokerige vuurtjes stoken.” De twee buurmannen gingen zelfs met elkaar op de vuist. „De Australiërs vonden dat prachtig. Come see, riepen ze, the Dutchies are fighting!”

Ze wijst over de baai waar aan de horizon zeeschepen de haven van Brisbane in en uit varen. „Als ik zo’n schip uit zag varen, dacht ik elke keer: ik wou dat ik erop zat. Ik wilde terug. Ik miste mijn moeder verschrikkelijk.” „En zei je dat tegen papa?” „Nee, natuurlijk niet.”

De terugkeer kwam pas ter sprake toen ook mijn vader het niet langer uithield. „Het was het ouderwetse onderwijssysteem dat hem dwarszat. Met name de lijfstraffen die hier normaal waren. Hij weigerde kinderen met een rietje op de vingers te slaan. De headmaster vond hem maar een nieuwlichter.” Maar de ontbrekende sociale voorzieningen en de vrees voor zijn gezin in het geval hem iets zou overkomen, gaven de doorslag. Inmiddels was het 1961 en het zevende kind was op komst. „Moesje schreef mij: kom maar gauw terug. Ik was zo blij.”

Frank Vermeulen

    • Frank Vermeulen