We praten recht voor z'n raap! Het ís toch ook een neger?

De laatste jaren werden we steeds voorzichtiger met beladen woorden als ‘neger’.

Juist door die gevoelige correctheid groeit de behoefte om eens lekker los te gaan.

De voetbalfan die in de Amsterdamse Arena het veld opvloog om de keeper van AZ een knal voor zijn kop te verkopen, heette in de media meteen een „zogenaamde” supporter. Om hem te onderscheiden van „,echte” supporters. Die zoiets nooit zouden doen.

Toch gek. Want waarom zou een echte supporter niet door het lint kunnen gaan? Rond 11 september tien jaar terug geloofden we toch ook niemand die over de daders sprak als „zogenaamde” moslims?

Naar de jongen werd ook alom meteen verwezen met „de malloot”. Alsof dat een neutraal beschrijvende term is, zoals „jongen” of „inwoner van Almere”, en geen oordeel. In Nieuwsuur discussieerde een panel met uitgestreken gezicht over het wangedrag van „de malloot”.

Ook Wesley uit Almere moet kennelijk zo snel mogelijk worden weggezet als gestoorde eenling – een gelukkig mildere uitvoering van die andere lone wolfs die in winkelcentra of op scholen losgaan. Dan hebben wij er niks mee te maken en is het verder een zaak voor de psychiater.

Tegen dat ‘neutrale’ gebruik van „malloot” werd geen bezwaar gemaakt. Wie zou dat ook moeten doen, de Vereniging voor Malloten?

Protesten kwamen er wel – en hoe – toen het modeblad Jackie een beetje streetwise dacht te kunnen doen met de term „niggabitch” – zeg maar „negerslet” – voor de zangeres Rihanna.

Woedende hiphopfans bestormden het blad. Ja, Amerikaanse rappers mogen dat scheldwoord gebruiken – als geuzennaam. Maar dat betekent niet dat elke brave witte glossy er zomaar mee aan de haal kan gaan!

Dat is een aanvechtbaar argument – als de zangeres er zelf mee koketteert, waarom mag een ander het dan niet opschrijven? – maar niet absurd. Vergelijk de joodse zelfspot van Larry David in Curb your Enthusiasm en de spreekkoren op een voetbaltribune. Context doet er inderdaad toe.

Al deze voorbeelden wijzen erop, dat politieke correctheid en de dringende behoefte om lekker incorrect te zijn, elkaar steeds verder aanjagen. Jackie moet inbinden, de hoofdredacteur stapte op. Maar omroep PowNed katapulteert intussen de ene geinige „Braboneger” na de andere de ether in. Satire! Neger zeggen is leuk!

Journalist Marcia Luyten bond de strijd aan met die provocerende terugkeer van het woord in een mooi opiniestuk, De neger is terug (19 november). Maar ze hekelde óók het politiek correcte taboe op zulk taalgebruik, waardoor het pesterige hergebruik nu juist wordt gestimuleerd.

Dat stuk riep een veelzeggende reactie op van een lezeres die vond dat Luyten niet besefte hoezeer het woord neger een beledigende klank heeft. Zij schreef: „Tot mijn spijt heb ik mij buitengewoon geërgerd aan het artikel. Het is erg pijnlijk en not done om donker gekleurde mensen als ‘negers’ te bestempelen.”

Maar dat schreef Luyten nu net. Het deed me denken aan de scène in Life of Brian, waarin een priester die een man ter dood veroordeelt wegens het noemen van de verboden naam Yehova, na het uitspreken van het vonnis zélf gestenigd wordt. Ook hier hebben correctheid en incorrectheid elkaar in een fatale houdgreep.

Hoe ging dat bij kranten? In het archief van NRC Handelsblad duikt het woord neger begin jaren negentig nog terloops op in ‘gewone’ stukken. Je komt een „neger in trainingspak” tegen, een „ouwe neger”, een „gesoigneerde”, „zwarte”, maar ook „witte”, en „pigmentloze” neger. En, het zal ook niet zo zijn, een „grote neger” en een „arme neger”.

Gaandeweg verdwijnt het woord naar columns, citaten, recensies, en bespiegelingen over het woord zelf. Een columnist van het Zaterdags Bijvoegsel, Van Lennep, schrijft in juli 1991: „Toen ik vorige week het woord neger opschreef, haakte mijn pen. Mocht dit nog?” Zijn conclusie: het blijft „voorlopig” neger. „Nikker” kan dan al echt niet meer.

Een echte controverse over het woord brandt pas los in 2002, wanneer een Surinaamse stichting aandringt op het helemaal schrappen van het woord uit de Van Dale. Het zou kwetsende associaties oproepen met de slavernij. Dat verzoek leidt tot smalende reacties. Taalkenner Ewoud Sanders noemt het in zijn column „je reinste flauwekul”.

Neger blijft dan ook gewoon in de Van Dale staan, want dat woordenboek „registreert” courant taalgebruik, zonder er een oordeel over te vellen. „Goed nieuws”, schrijft Martin Fortuyn, de broer van de recent vermoorde politicus, opgelucht.

Maar drie jaar later volgt toch een aanpassing. In de veertiende editie van Van Dale wordt aan ‘neger’ toegevoegd dat het „door sommigen als scheldoord wordt ervaren”. De krant meldt het nieuws op de voorpagina. Het is dan ook „geen kleinigheid”, zegt Ewoud Sanders. Maar het woordenboek is volgens hem niet bezweken voor een actiegroep, het heeft „vastgelegd dat de gevoelswaarde van neger aan het verschuiven is”.

Zo volgt Nederland geleidelijk de taalpraktijk in Amerika, waar raciale termen al veel langer beladen zijn – en met goede reden. In een land waar nog in de eerste decennia van de twintigste eeuw tientallen zwarten werden gelyncht, soms in het openbaar levend verbrand, is zo’n taboe geen modieuze overgevoeligheid.

Nederlanders kennen die gevoeligheden veel minder – de slavernij was ver weg, tenslotte, zowel geografisch als inmiddels historisch. Al gingen in Suriname nog in 1833 drie slaven de brandstapel op, toen die straf in Nederland al lang taboe was. Ook in de voormalige kolonie geldt ‘neger’ trouwens onder Creolen als een belediging: het staat voor een luidruchtige zwarte man. Een Tokkie.

En dus is het woord opnieuw een wapen geworden in het armpje drukken van helden van de incorrectheid. We praten weer recht voor zijn raap! Het is toch ook een neger?

Maar waarom is Wesley dan geen supporter, maar een „zogenaamde”?

Neger zeggen is weer stoer. Maar fijne woorden waarmee wij onszelf graag identificeren, die mogen niet worden besmet door het gedrag van een loslopende malloot.

Dat is niet zaken benoemen, dat is spreken met gespleten tong.

Sjoerd de Jong is ombudsman van NRC Handelsblad en nrc.next.