Eigen daklozen eerst? Wat kil

Het is niet erg dat sommige mensen misbruik maken van de opvang, zolang je voorkomt dat andere daklozen doodvriezen.

Of zijn we soms vrekken?

„Wat is Nederland een koud land!”, zo riep een niet-Nederlandse dakloze mij laatst wanhopig na. En hoewel het buiten bijna vroor, was dat niet zijn voornaamste klacht. Nog niet, tenminste. Daklozen die korter dan drie maanden in Nederland zijn, worden in de hoofdstad straks wellicht geacht ’s nachts zelf een dak boven het hoofd te regelen. In 2010 had namelijk slechts een kwart van de gebruikers van de winterkoudeopvang binding met Amsterdam, zo problematiseert de GGD. En hoewel het totale aantal bedden in Amsterdam dat jaar niet meer dan 340 bedroeg, nog geen half promille op de totale Amsterdamse bevolking, moeten er daarom maatregelen getroffen worden. In januari buigt de Amsterdamse gemeenteraad zich opnieuw over die strengere criteria voor winteropvang.

Dat juist van daklozen te verwachten valt dat ze vaak weinig binding met de stad of het land in kwestie hebben, dat de kern van hun probleem er juist in ligt dat ze geen dak boven het hoofd kunnen regelen, dat vergeten we voor het gemak. Opvang is – paradoxaal genoeg – alleen voor ónze dak- en thuislozen!

Recent onderzoek in opdracht van het ministerie van VWS wijst uit dat elke euro besteed aan maatschappelijke opvang tegen de 3,50 euro aan baten levert, dus het laten groeien van de opvangcapaciteit kan een rationele keuze zijn. Willen we dat niet, dan vereist het terugbrengen van de vraag inderdaad een vorm van selectie. Maar moet die reflexmatig op basis van afkomst plaatsvinden? Het lijkt in het geval van dakloosheid een van de minst relevante criteria om te bepalen of iemand een bed behoeft, niet minder willekeurig dan het aantal kinderen of simpelweg ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’. Het tegenvoorstel van GroenLinks stelt terecht dat behoefte hier centraal moet staan. Die is voor iedere dakloze in de vrieskou per definitie even groot.

Winteropvang is noodopvang, in zekere zin vergelijkbaar met internationale noodhulp. In tegenstelling tot reguliere hulpstromen, die zorgvuldig worden beheerd en gecontroleerd, bestaat er brede consensus dat het voorzien in menselijke basisbehoeften (voedsel, onderdak, veiligheid) onze morele plicht is. Dus geven we voedselhulp aan Noord-Korea, sturen we noodhulp naar Pakistan na een aardbeving en verlenen steun aan slachtoffers van het eindeloze conflict in Congo. Dat alles in de bewuste wetenschap dat de betreffende regeringen niet altijd even verantwoordelijk omspringen met de aan hun land verstrekte middelen, ja, soms zelfs de oorzaak zijn van de tragedie.

We accepteren in dat soort gevallen dat ons geld misschien niet op de meest efficiënte manier ingezet wordt. Dat niet iedereen geholpen kan worden. Dat een deel terechtkomt bij mensen die het minder hard nodig hebben, of die zelfs actief de ellende in stand houden. We accepteren het, omdat het laten verhongeren of doodvriezen van mensen onacceptabel is en bovendien relatief eenvoudig te voorkomen.

Het is ook in eigen land tijd eens af te stappen van de semi-nobele logica die stelt dat helaas niet iedereen eerlijk en sociaal is, dat het systeem daarmee te duur en onrechtvaardig wordt en dat iemand daarom de ondankbare taak op zich moet nemen om hard te zijn. Moeten wij dan voor de kosten opdraaien van opvang? Ook als er een handvol Oost-Europeanen tussen zit dat de voorzieningen welbewust gebruiken als goedkoop hotel? Ja! En belangrijker nog: we moeten in dit soort gevallen af van het tellen van ons kleingeld. We moeten stoppen te denken in termen van ‘heeft hij er recht op?’ en ons liever afvragen waar we zelf menselijkerwijze toe verplicht zijn.

Laten we het dus eens omdraaien en er bij wijze van gedachte-experiment niet alles aan doen om te vermijden dat we iemand ten onrechte helpen, maar er alles aan doen om te vermijden dat we iemand ten onrechte níet helpen. Wat namelijk pas echt een disproportioneel duur en onrechtvaardig sociaal stelsel is, is een stelsel waarbij de zwaksten mogelijk buiten de boot vallen.

Hoe erg is het tenslotte als je weleens iemand ‘ten onrechte’ onderdak verleent en hoe erg is het als je weleens iemand laat doodvriezen? Hoeveel ‘aanzuigende werking’ heeft een ruimhartige winteropvang nu helemaal? Wat kan het ons ten hoogste kosten? Mijn eergevoel zegt me dat ik liever materieel verlies lijd, dan menselijk het onderspit delf. Maar mijn land is een land met geld en zonder zelfrespect.

Marina Lacroix (26) is politicologe en speechschrijver voor Europese Commissie.