De kerstgedachte van Kees

Jezus, meid, natuurlijk! Kees gooit zijn armen in de lucht, alsof hij op het punt staat een gebed aan te heffen in de kleine gang van zijn huis. Het was een gok, bij welke benedenwoning in deze Rotterdamse straat ik zou aanbellen voor een kerstborrel. Achter dit raam stond de grootste kerstboom en het leek me een goed moment om te testen of er een verband is tussen de afmeting van iemands kerstboom en dat van zijn of haar hart. Kees schudt mijn hand. Hij zegt dat het toch godverdomme niet voor niks kerstmis is geworden. Als hij de deur naar de zitkamer openzwaait slaat het licht ons tegemoet. De boom hangt zo vol lichtjes dat er nauwelijks nog boom te zien is, op alle kastjes en bijzettafeltjes branden kaarsen, langs het gordijn hangt een knipperend lichtsnoer.


Ria schenkt een borrel in en zet een schaaltje naturel chips op tafel. Om zes uur komen de gasten, maar tot die tijd mag ik gerust blijven zitten, zegt ze. Kees gooit voor de tweede keer zijn armen in de lucht. Jezus Rie, we gaan haar toch niet om zes uur de straat opknikkeren? Hij draait zich naar mij. We gaan gourmetten, zegt hij, en we hebben altijd een pannetje te veel, dus als je wilt kan je blijven. Ik zeg dat ik straks naar mijn familie ga. Kees kijkt teleurgesteld. Tot kwart over zes kan toch wel? Ria kijkt bevreemd naar Kees. Het is even stil. De stem van Frans Bauer klinkt door de kamer. Hij droomt van een kerstfeheheest, waar vrede bestahahaat. Ik dacht gewoon, begint Kees, dat het goed zou zijn voor John en Marjan om te zien hoe je ook met mensen om kan gaan. Zij zouden haar nooit binnen laten (hij wijst naar mij). Ria zucht. Ze zegt dat hij John en Marjan moet laten zijn wie ze zijn. Die mensen komen alleen maar vreten hier, moppert hij. Daar zit geen kerstgedachte achter. Mijn moeder, zegt hij, die haalde elke kerst een zwerver binnen. Terwijl we zelf niks op tafel hadden. Dat is kerst. Het gaat om de chips, maar ook om de gedachte. En Kees wil dat John en Marjan daar eens over nadenken. Ria zucht weer.

Ik sla mijn borrel achterover. Misschien moet ik gaan, zeg ik. Kerst is vaak al moeilijk genoeg en ik wil het niet nog ingewikkelder maken. Maar Ria en Kees zijn het over één ding eens. Ik moet blijven. In ieder geval tot de chips op is. Met Frans Bauer op repeat en nog twee zakken naturel chips borrelen we verder. Kees vertelt over zijn nieuwe floor manager, die ‘te slap is voor de ploegendienst en zo dom als een aap’. Ria fluistert over Hans van hiernaast die laatst zo ‘zat als een tor’ tegen de scootmobiel van Aja stond te pissen. We proosten op een nieuw jaar en op de staatsloten waarmee Kees en Ria nu eindelijk eens een miljoen willen winnen. Vorig jaar kochten ze een kraslot. Een tientje wonnen ze. Dat was bagger. De combinatie van Kees, Ria, een paar honderd kerstlampjes, naturel chips en jenever doet iets met me. Frans zingt voor de derde keer dat hij droomt van een kerstfeeeheheeest en wij neurieën gedrieën zachtjes mee. Als ik een half uur later in de deuropening sta drukt Kees mij geëmotioneerd de hand. Dit ga ik John en Marjan vertellen, zegt hij zacht. Dat kerst met een vreemde pas echt kerst is. Ria glimlacht en klopt Kees op de schouder. Mijn moeder – begint hij, maar hij maakt zijn zin niet af. Kom volgend jaar maar gewoon weer, zegt Ria lief. En ik beloof het.

    • Marjolijn van Heemstra