WINTERSLAAP als luxeprobleem

Mens en dier Hoe komt een mens de winter door? De beer geeft het goede voorbeeld: eerst slapen, dan feesten omdat de lente komt.

sleeping brownbear Juniors Tierbildarchiv/Photoshot

Elk jaar weer hoor ik vrienden en kennissen in het najaar verzuchten dat ze, net als ikzelf, zo tegen de winter opzien. Ze menen bovendien dat hun angst voor wintermatheid, die in sommige gevallen ontaardt in een ‘winterdepressie’, elk jaar sterker wordt. Dat komt niet doordat de winters kouder en donkerder worden – het tegendeel is het geval – maar doordat deze winterslomen ouder worden. Het liefst zouden ze in november in winterslaap gaan om pas tegen het einde van de winter te ontwaken, maar dat kan nu eenmaal niet. In plaats daarvan nemen ze, uit angst voor winterdepressie, voorzorgsmaatregelen. Vanaf eind september gaat de bright light-lamp enkele uren per dag aan, want zo lang er voldoende Lux op netvliezen valt, zo wordt door deskundigen verzekerd, lopen ze minder kans dat het mis zal gaan. Ze letten op hun lijf, doen pogingen minder te eten en te drinken, en vooral te blijven bewegen, want dat werkt preventief. Elke dag weer voldoende neurotransmitters aanmaken voor zenuwspleten om opgewekte boodschappen door het eigen hoofd te jagen, en niet te vergeten naar anderen te versturen. Veel praten helpt ook, zolang het maar geen klagen wordt. Je niet terugtrekken uit het sociale leven, hoeveel energiebesparing dat ook zou opleveren, en vetzucht in toom houden door zo veel mogelijk calorieën te verbranden, is dé manier om montere actievelingen enigszins bij te benen.

Melancholici die gebukt gaan onder lange winters heten geestesziek of zwak te zijn, maar is dat wel de juiste diagnose? Fysiologische aanpassingen die tientallen duizenden jaren of langer cruciaal waren om te overleven, verdwijnen niet zo maar. Onmogelijk weerstand kunnen bieden aan suikers en vetten waar onze verre voorouders in Afrika moeilijk aan konden komen, is een achterhaalde aanpassing. Kinderen die weinig of niks om ijs, chips en snoep geven zijn nu juist aanmerkelijk beter aangepast dan de suiker- en vetverslaafden. Het luxe leven in Europa stelt andere eisen dan een bestaan als jager en verzamelaar in Afrika. Toch zijn er enkele voorbeelden van relatief nieuwe aanpassingen, zoals het vermogen om niet alleen als kind melk van moeder, koe of geit te kunnen drinken, maar zonder er ziek van te worden ook nog als volwassene. Door een mutatie in één gen, die ontstond nadat mensen in Europa omstreeks tienduizend jaar geleden begonnen met melkveehouderij, zijn ze levenslang in staat lactose te verteren. Dat is vooral tijdens perioden van voedselschaarste belangrijk.

Zou je winterdepressie niet ook zo kunnen interpreteren? Als een beginnende biologische aanpassing, een milde menselijke winterslaap? Winterlethargie als verworvenheid, eerder dan als defect of ziekte. ’s Winters de sociale omgang beperken en ook verder zuinig omspringen met energie zou niet eens zo heel lang geleden op veel plaatsen in Europa een lonende strategie kunnen zijn geweest.

Een evolutionaire oplossing voor de van oorsprong tropische mens om in noordelijker streken de winter door te komen totdat er dankzij slimme ontdekkingen effectiever en comfortabeler mogelijkheden kwamen. Want in een omgeving met verwarmde stenen huizen en een overvloed aan voedsel, zoals die vermoedelijk nooit eerder is vertoond, heb je er niks meer aan. Vrijwel elke Noord-Europeaan kan het zich tegenwoordig financieel veroorloven om in december het woord W I N T E R S L A A P in chocoladeletters te kunnen opeten.

Nog is het de tijd van vlotte stofwisselaars, opgewonden standjes, en fluitende matineuzen van wie de lichaamsthermostaat zo hoog staat afgesteld. Maar hun huidige voordeel kan zo omslaan in een nadeel als het echt menens wordt met de crisis, de euro verdwijnt en de banken de een na de ander omvallen, zodat ten slotte niemand meer pinnen kan. Dan zullen de obese melancholici achter hun chocoladeletters zuinig grinniken in hun holen. Ze vrezen de crisis niet, beseffend dat nu hun tijd is aangebroken. Nog even afzien en dan zullen zij als minst mageren het einde van de winter halen, met uitstekende voortplantingsperspectieven als ze daarvoor de leeftijd hebben. Melancholie als overlevingsstrategie, daar had zelfs de melancholicus geen rekening mee gehouden.

Als we van oorsprong geen tropische primaten zouden zijn, nauw verwant met chimpansees, maar in plaats daarvan familie van de uitgestorven holenbeer, of van de Europese bruine beer (Ursus arctos arctos), zouden wij dan ook in winterslaap gaan? Het is ten slotte een briljante oplossing om de winterperiode te overbruggen voor wie geen vleugels heeft, noch de benodigde hersenschors om centrale verwarming uit te vinden of te zorgen voor voedselreserves. Trekvogels lossen het probleem op door bijtijds en moddervet naar warmer en voedselrijker streken te vliegen, maar dat is geen optie voor een beer. Die valt in slaap. In Rusland en op de Balkan duurt die toestand van lethargie bij de bruine beer wel vier, vijf maanden, in Finland soms zelfs zes of zeven. Eten, drinken, urineren, poepen, de overwinterende beer, die zich heeft teruggetrokken in zijn schuilplaats, doet het allemaal niet. Het spijsverteringstelsel is lamgelegd. Uit de blaas wordt urine geresorbeerd om niet uit te drogen. De beer verbrandt geen koolhydraten en eiwit, maar vetten waarbij ook water vrijkomt. Hij teert op de dikke speklaag die, dankzij zijn tomeloze vraatzucht, tijdens zomer en najaar is aangelegd.

Zigeuners in Polen, Rusland en op de Balkan die het hele jaar rond leefden van de optredens van hun beren deden in fysiologisch opzicht wellicht het juiste om hun bron van inkomsten wakker te houden. Ze lieten de dieren op de maat van een tamboerijn op hun achterpoten dansen alsof het mensen waren. Een vorm van beeronterende aerobics die voorkwam dat ze in slaap vielen. Dat het gebruik barbaars was, maar de relatie tussen zigeuner en beer desondanks hecht en soms zelfs liefdevol werd aangrijpend beschreven in het verhaal ‘De beren’ van Vsevolod Garsjin.

Winterontsnappers

Er bestaan zeker verschillen tussen de winterlethargie van mensen, beren die wel slapen, maar daaruit ook vrij gemakkelijk gewekt kunnen worden, en echte winterslapers als grondeekhoorns. Een Amerikaanse grondeekhoorn (Spermophilus tridecemlineatus) in winterslaap voelt aan als een koud lijk. De lichaamstemperatuur van het dier is sterk gedaald, zijn hartslag gereduceerd tot enkele slagen per minuut. Het is een uiterst efficiënte manier om zuinig om te springen met energie tijdens een periode van voedselschaarste en lage temperatuur. Beren zijn weliswaar radicalere winterontsnappers dan wintervrezende melancholici, maar gaan aanmerkelijk minder ver dan deze grondeekhoorns. Ze slapen en rusten veel, maar hun lichaamstemperatuur zakt maar enkele graden en de hartslag daalt veel minder sterk dan bij grondeekhoorns.

Toch zijn er fysiologen die depressie van mensen, winterrust van beren en winterslaap van grondeekhoorns met elkaar in verband brachten. Er bestaat een experiment van Dawe en Spurrier uit 1969, waarbij actieve Amerikaanse grondeekhoorns tijdens de zomer werden geïnjecteerd met bloed van slapende Amerikaanse zwarte beren (Ursus americanus) in winterrust. De grondeekhoorns werden sloom en vielen acuut in diepe zomerslaap. Even werd gedacht dat er een stof was ontdekt die, onafhankelijk van de species in kwestie, winterslaap in gang kon zetten. Het betrof een opiumachtige stof, waarvan het effect met de opiumantagonist naxalone ongedaan kon worden gemaakt, maar al snel bleek het effect ervan minder universeel dan gedacht. Want als het bloed van de Europese bruine beer werd ingespoten bij hamsters, gingen ze vrolijk door met hun bezigheden in plaats van als stripfiguren steil achterover en vervolgens in een diepe zomerslaap te vallen. Een veelbelovend middel om de melancholicus door de winter te helpen blijkt vooralsnog niet te werken. Jammer, want winterslaap zou veel geestelijk leed kunnen voorkomen en is uitgesproken groen.

Wat moet het deprimerend zijn geweest om te leven in een boerengemeenschap in een Alpendal, en daar de hele winter niet weg te kunnen vanwege ijs en sneeuw. Zelfs actievelingen zullen het moeilijk hebben gekregen als maandenlang de zon niet of nauwelijks boven de bergtoppen uitkwam, de voedselvoorraden slonken en het zaak was daar uiterst zuinig mee om te springen. Het einde van de winter, overwinning op die doodse tijd, kwam als een geweldige opluchting. Op veel plekken in Europa, van Finland en Siberië tot de Balkan en van de Alpen tot in de Spaanse Pyreneeën, werden de zonnewende en het einde van de winter dan ook uitbundig gevierd. Hedendaagse familiefeesten als Sinterklaas en Kerstmis stammen daar weliswaar van af, maar het ging zeker in prechristelijke tijden aanmerkelijk ruiger toe. Klazen waren door de Rooms-Katholieke Kerk nog niet geknecht tot scholierenbisschoppen met een zak. Van hen werd gedacht dat ze in wilde horden door het luchtruim scheurden. Het waren doden, voorouders, op weg naar de levenden die jaarlijks gecontroleerd en zo nodig getuchtigd moesten worden.

Half mens, half beer

Het ging bij de maskerades om uitbundig uitgedoste en gemaskerde personages. En op veel plaatsen worden deze feesten van prechristelijke oorsprong nog altijd gevierd, bijvoorbeeld de zogenoemde Dziady in het Poolse Zywiec. Vaak maken stereotiepe figuren deel uit van de groep, zoals ‘de jood,’ ‘de zigeuner,’ of ‘de fotograaf,’ die in xenofobe rurale gemeenschappen traditioneel als bedreigend werden ervaren. Helemaal prettig doet het niet altijd aan.

De feesten passen in een reeks van festiviteiten van eind november tot carnaval, met ten slotte als hoogtepunt Pasen. Behalve menselijke personages spelen ook dierlijke archetypen een rol in de maskerades, zoals het paard, de geit en vooral de beer. In het Musée international du carnaval et du masque in het Belgische Binche zijn daarvan prachtige voorbeelden te zien.

Wijd verbreid, in vele varianten, is het verhaal van een beer die uit de bergen is afgedaald naar het dorp om een vrouw te ontvoeren. Het wordt, bijvoorbeeld in het Franse Arles sur Tech, nog jaarlijks nagespeeld waarbij de beer, een gemaskerde man in een schapenvacht, de hoofdrol speelt. De dorpelingen jennen hem en dagen hem uit. Dan grijpt de beer/verleider een meisje of vrouw. In het verhaal ging het om de vrouw van een houthakker. Hij sleepte haar mee naar zijn hol, en sloot haar op door de ingang van zijn schuilplaats met een grote kei af te sluiten. Aanvankelijk leefde de mensenvrouw als een gevangene, nota bene zonder daglicht, maar gaandeweg wisselde ze van gedaante, verbeerde en nam ten slotte volledig deel aan het berenleven. Ze baarde zelfs een gezonde, intelligente zoon, door haar ontvoerder verwekt. Op zeker moment is die zo sterk geworden dat hij de kei wegrolt en zo zijn moeder en zichzelf bevrijdt. Moeder en zoon keren terug naar de houthakkers en leven verder in het dorp. Jean de l’Ours, want zo wordt hij genoemd, werkt voor tien, eet onwaarschijnlijk veel, maar weet zich, half mens half beer, niet aan te passen aan het dorpsleven. Hij laat zich op een dag in een put vallen. Maar hij wordt bevrijd en uiteindelijk komt het allemaal goed, want hij slaagt erin een koningsdochter te huwen die geen zin had in een gedegenereerde, koninklijke slapjanus.

Dat juist beren zo belangrijk zijn in de midwinterfeesten is niet verbazingwekkend. Afrikanen kunnen zich op veel plaatsen identificeren met chimpansees en gorilla’s, maar die komen in Europa niet voor. Identificatie met een gevaarlijk en groot zoogdier dat op twee benen kan lopen, ligt voor de hand. Bijzonder aan berinnen is bovendien dat ze in hun schuilplaats baren tijdens de winterslaap. In gedrogeerde toestand wijzen ze de pasgeboren jongen hun tepels, en slapen dan verder. Als ze ten slotte in februari of maart uit hun schuilplaats te voorschijn komen, trekken ze er, in gezelschap van hun jongen, op uit. Een duidelijker teken van nieuw leven, begin van de lente, is moeilijk te verzinnen. Het is niet onwaarschijnlijk dat in prechristelijke tijden de observatie van de eerste berin met haar jongen het beslissende teken was dat lente eraan kwam.

Nadat de christelijke kalender verweven was geraakt met de prechristelijke, die op seizoenen en maancycli was gebaseerd, werd in Frankrijk de datum 2 februari cruciaal voor de aanvang van het midwinterfeest. Op die dag, Chandeleur (Maria-Lichtmis), werd goed opgelet of er in de omgeving een beer opdook. Volgens een legende verliet de beer, die uit zijn winterrust ontwaakte, omstreeks die tijd zijn schuilplaats om poolshoogte te nemen. Trof hij een heldere hemel dan trok hij de conclusie dat de winter nog aanhield en sliep veertig dagen verder. Trof de omhoog kijkende beer een bewolkte hemel, dan was voor hem de winter ten einde en verliet hij zijn schuilplaats.

De duur van dat laatste ‘dutje,’ veertig dagen, is opmerkelijk. Johannes de Doper trok zich destijds terug in de woestijn en leefde van sprinkhanen en het lievelingsvoedsel van de beer: wilde honing. Net als Johannes de Doper vastte ook Jezus veertig dagen in de woestijn. In de Islam is 40 een heilig getal. Vasten komt in veel religies voor, ook op plaatsen waar geen beren leven, maar mogelijk inspireert het wel als je een beer in wintertoestand hebt gezien die niet eet, niet drinkt en ook in andere opzichten maandenlang afziet van lichamelijke geneugten.

Kluizenaar

De christelijke vasten valt veertig dagen voor Pasen aan het einde van de winter. Dat was, op veel plaatsen in Europa, een tijd van voedselschaarste. De christelijke component van voedsel delen, denken aan anderen die het minder hebben, moet juist onder die condities van belang zijn geweest. Een sociale maatregel die opriep tot rechtvaardigheid en zelfs de winterslome atheïst aanspreekt. Er bestaan mythen, beschreven in het informatieve boek L’homme et l’ours van Jean Dominique Lajoux, waarin een man het dorpsleven voor gezien hield en een berenschuilplaats betrok. Hij was naakt, liep op handen en voeten, raakte in de loop der tijd behaard en verloor zijn spraakvermogen. Hij werd half mens half beer. Was het soms een kluizenaar?

Beer in winterrust, vastende christen, en mogelijk zelfs de winterslome atheïst, hebben meer gemeen dan je geneigd bent te denken, al was het maar dat bij alle drie een biologische respons op voedselschaarste een rol speelt of speelde. Voor de kluizenaar van weleer kwam het streven te vergeestelijken daar nog eens bij. Het berustte op de inmiddels achterhaalde veronderstelling dat lichaam en geest te scheiden zouden zijn. Als toegift deed de beer die na een maandenlange periode van slaap voor het eerst weer op zijn poten ging staan de kluizenaar nog even voor hoe je opstaat uit de dood.

    • Tijs Goldschmidt