Wij waren één

Het gezin waarin Mariëtte van Erp (1953) opgroeide, telde tien kinderen: „Ik sliep ’s nachts het liefst met een klein zusje naast me in bed.”

‘Wij waren meer dan verwant. We waren één. Van al mijn broers en zussen was mijn band met Jan het sterkst. Hij was mijn grote voorbeeld. Jan was een uitvinder: hij ontwikkelde geheimschriften, verstopte spullen in de tuin om ze ‘antiek’ te laten worden, hij sneed beeldjes uit schoolkrijt. Onder zijn leiding groeven we ondergrondse gangen die helemaal tot de tuin van de buren voerden. Ze hadden niks door.

„Ik was het oudste meisje, dus ik moederde. Ik ging met vier of vijf kleintjes in mijn kielzog naar de tandarts en sliep ’s nachts het liefst met een klein zusje naast me in bed. Dat was lekker warm. We deelden met vier meisjes één kamer. Ik was een moedertje, maar ik was niet zo trouw als Rianne en Liduine. Zij hadden meer ruimte voor de anderen. Ik vond het ook fijn om op mezelf te zijn.

„Mijn vader teelde fruit: appels, peren en bessen. Achter onze boerderij lag een grote boomgaard en wat verder van huis waren er nog meer. Op zondagmiddag stapten we met z’n allen in de auto om het fruit te inspecteren. Mijn vader had knechten in dienst en voor huishoudelijk werk hadden we een inwonend dienstmeisje. Mijn ouders wierven ze bij voorkeur uit het bijzonder onderwijs; dat waren meisjes met een leerachterstand die verder weinig kansen kregen. Ik herinner me één meisje in het bijzonder, Gerda. Zij is wel vijf jaar bij ons gebleven. Heel lief.

„Voor ons kinderen was het: óf je bent bezig met school, met je huiswerk, óf je helpt mee. Het was geen lui leventje, integendeel.

„Mijn vader was overdag veel van huis. Hij had een hoge baan bij de veiling. Tegen zessen kwam hij terug voor het avondeten, maar daarna moest hij vaak weer weg, want hij had allerlei bestuurlijke functies en zat voor het CDA in de gemeenteraad.

„Mijn moeder was er altijd, maar zij had het te druk om zich intensief met al haar kinderen te bemoeien. Een duizendpoot was ze, een wonder van organisatie. Ze kookte, ze maakte zelf onze kleding, ze deed de boekhouding en ze verkocht mijn vaders fruit aan huis. Er belden de hele dag mensen aan. Mijn moeder genoot daar wel van, het was haar contact met de buitenwereld. De klanten waren vrouwen uit het dorp met wie ze het leven kon bepraten.

„Ze hadden het vooral over de kinderen. Ze maakten ook nogal wat mee met ons.

„Toen wij in de puberteit kwamen, begonnen we te rebelleren. Op zondag gingen we met ons kerkgeld van één dubbeltje en één stuiver naar het snoepwinkeltje achter de kerk en dan gingen we wandelen in plaats van naar de mis. De jongens en meisjes uit het dorp die gingen studeren in Amsterdam of Nijmegen kwamen in het weekend terug met verhalen over politiek, boeken, schilderijen… Ze hadden lang haar en droegen andere kleren. Ze waren deel van de nieuwe hippiecultuur. Ze richtten een clubhuis in Gemert op, MIC: Most Independent Community.

Op vrijdagavond hielden we daar bijeenkomsten. We luisterden naar muziek en voerden lange discussies. Het was ons honk. Thuis werd er ook steeds meer gediscussieerd. We maakten geen ruzie met mijn ouders, het was meer een soort landje veroveren. Mijn vader zat het liefst middenin de drukte de krant te lezen, maar als hij kwaad werd, keek hij je aan met zijn ‘politie-ogen’, zoals wij dat noemden, en dan ging je door de grond. Hij strafte wel eens met huisarrest.

„Op mijn achttiende ben ik het huis uitgegaan. Ik was het eerste kind dat echt uitvloog. Jan had twee jaar op het seminarie in Oosterhout gezeten, maar was weer naar huis gekomen toen dat toch zijn roeping niet bleek. Ik had vooral een enorme culturele honger. Ik volgde schilderlessen bij Henry Bol en had bij MIC nog een paar andere kunstenaars leren kennen. Ik wilde naar de kunstacademie, maar daar was geen sprake van. Het werd Epe: een opleiding tot creatief therapeut. Ik kon er niet aarden, het was er zo vroom.

„Op een dag heb ik met mijn toenmalige vriendje de trein naar Amsterdam genomen. We kwamen aan, gingen op de Dam tussen de hippies zitten en dachten: zo, we zijn vrij, laat nu het volle leven maar beginnen. Wat waren we naïef. We kenden er geen stervende ziel.

„Het heeft ruim tien jaar geduurd voordat ik echt richting aan mijn leven wist te geven. Via Eindhoven ben ik terugverhuisd naar Gemert, waar ik een eigen woning vond en waar mijn kunstenaarschap langzaam gestalte kreeg. Ik ben een landschapsmens, dat wist ik ook niet toen ik zomaar naar de stad vertrok. Ik kan de velden en de bossen helemaal niet missen.

„Mijn man is ook van hier. We kennen elkaars families al van jongs af aan. Zijn vader heeft me later verteld dat hij vroeger vaak dacht: ‘Da meidje daar, da’s er een voor ons Jacques.’ Jacques ging net als ik naar de middelbare school in Helmond en passeerde me elke dag op het fietspad: een lange jongen op een racefiets. In mijn fantasie legde hij zijn hand op mijn rug en duwde me voort. Dat is nooit gebeurd, maar we bleven elkaar tegenkomen en toen ik dertig was raakte het aan. We hebben een zoon gekregen. Ik denk vaak: het heeft zo moeten zijn.”

Haar atelier is haar huid, zegt ze. Hier gebeurt het. Omringd door haar eigen beelden en tekeningen verliest ze elk besef van tijd. Haar vader woont een paar straten verderop: een krasse ouwe baas nu, die alles nog zelf doet.

Te bestellen via nrc.nl/lux: Familiealbum, het boek met de 50 mooiste afleveringen van de Familiefoto.

    • Sandra Heerma van Voss