Weldoeners geven graag en veel - maar lopen er niet mee te koop

Miljoenen voor de renovatie van het Stedelijk Museum en tonnen voor gehandicapten: het mecenaat groeit in Nederland. Maar de rijke weldoener komt liever niet voor zijn gulheid uit. „Ze vinden je hier al snel een opschepper.”

Quizvraag. U bent behoorlijk rijk en kunt best een paar miljoen missen. Wat te doen?

A. Vooruit, u koopt nog een buitenhuis op Ibiza.B. Nog meer huizen? U stopt uw geld liever in de minder gefortuneerde medemens.

Annelies van der Vorm, telg uit de Rotterdamse bouwersfamilie Van der Vorm, hoeft er geen seconde over na te denken. Antwoord B natuurlijk. Geld heeft ze voldoende. Familiekapitaal, maar ook zelf verdiend in de effectenhandel en verschillende bedrijven. Maar geld an sich interesseert haar niet. „Het is een middel, geen doel. Op een gegeven moment is het gewoon genoeg. Ik woon in een mooi huis, waar ik overigens al 20 jaar woon, ik heb een auto. Ik ben meer dan tevreden.” En dus geeft ze haar geld weg. „Omdat het leuk is om te delen.”

Van der Vorm heeft een aantal stichtingen in het leven geroepen. Deels met de familie – de Stichting Daniël van der Vorm – en deels eigen initiatieven, zoals een stichting die glaskunstenaars ondersteunt en een eco-lodge in Mozambique waarbij de winst grotendeels naar de plaatselijke bevolking gaat. Ze doet het uit idealisme, zegt ze. „Om een cliché te gebruiken: verbeter de wereld begin bij jezelf. Ik wil mijn steentje bijdragen. Dat zit ‘m niet alleen in geld. Ik zet ook kennis en energie in voor de dingen waar ik in geloof.”

Voor Frans Hazewinkel, telg uit de bekende Groningse uitgeversfamilie en een van de oprichters van het Hazewinkelfonds dat sinds 1988 zo’n 3 miljoen euro uitkeerde, is het haast vanzelfsprekend dat hij geld geeft. „Ik wil goed doen. Zo simpel is het. Dat geeft me meer voldoening dan een extra huis of een nieuwe auto.”

Het Hazewinkelfonds wil „iets positiefs” betekenen voor de regio, zegt Frans Hazewinkel. Dat varieert van de huur van tandems voor geestelijk gehandicapten tot extra geld voor buurthuizen. Frans Hazewinkel zelf sponsort samen met zijn vrouw al jarenlang de UAF, de landelijke stichting voor vluchtelingstudenten. „Zij krijgen elk jaar een vrij groot bedrag van ons. We worden altijd uitgenodigd bij de diploma-uitreiking. Dan gaat er heel wat door me heen, hoor. Je zíet het resultaat van je gift. Daar doe je het voor.”

Volgens Theo Schuyt, hoogleraar filantropie aan de Vrije Universiteit, zijn er steeds meer rijke Nederlanders die hun geld aan goede doelen willen geven. Het aantal particuliere fondsen is groter dan ooit, zegt hij. Zelf is hij lid van de raad van aanbeveling van „minstens acht van zulke fondsen. „Stuk voor stuk initiatieven van mensen van rond de zestig die de zaak goed hebben verkocht en zich nu nuttig willen maken voor de maatschappij.”

Maar ook jongere rijken rukken op in de charitas, signaleert de hoogleraar. „Het is de tijdgeest. Mensen willen meer doen dan geld verdienen. Ze willen zinvol bezig zijn.”

En vervolgens treedt het vliegwieleffect op: zien geven, doet geven. Een oproep van Warren Buffett, de Amerikaanse multimiljardair die vorig jaar andere megarijken aanspoorde om een deel van hun geld aan liefdadigheid af te staan, heeft onmiddellijk effect.

„Je bezighouden met filantropie is ook een manier om mee te doen met de maatschappelijke bovenlaag”, zegt Schuyt. „Vergeet niet: geld is ook een manier om maatschappelijk prestige te vergaren. De Amerikaanse familie Vanderbilt, schatrijk geworden met de aanleg van spoorwegen, telde pas mee nadat ze de opera subsidieerden. Toen werden ze eindelijk uitgenodigd op de juiste feestjes en wilde iedereen die ertoe deed in politiek en cultuur met ze omgaan.”

Er is één groot verschil tussen Amerikaanse en Nederlandse mecenassen. Wie in Amerika geld uitgeeft aan liefdadigheid laat dat graag zien. Een donatie aan een universiteit of ziekenhuis, gaat meestal gepaard met minimaal één gouden naamplaatje bij de ingang. Hele gebouwen worden vernoemd naar de gulle gever die er het meeste geld in stak. Dat is not done in de polder. Nederlandse mecenassen lijken zich eerder te schamen voor hun vrijgevigheid dan dat ze ermee te koop lopen. Neem Talpa-baas John de Mol. Hij praat nooit over de „charitatieve dingen” die hij doet, zegt hij deze week in de Varagids. „‘Kijk mij eens even lekker veel geld aan goede doelen geven’ is een stijl waar ik niet van houd.”

Of kijk naar Pieter Geelen, medeoprichter van navigatiebedrijf TomTom. Met de beursgang van TomTom werd hij in één klap schatrijk. Onmiddellijk daarna richtte hij een eigen stichting op: de Turing Foundation, en doneerde 100 miljoen euro. De Turing Foundation keert sinds die start elk jaar miljoenen uit aan onder anderen leprabestrijding en kunstprojecten. Met zijn gift stond Geelen in 2009 in een klap op de kaart als meest vrijgevige Nederlandse ondernemer. Maar hem zelf spreken over zijn mecenaat? Geen schijn van kans. „Pieter en zijn vrouw Françoise willen gewoon goed doen”, zegt een woordvoerder van de stichting. „Maar ze willen absoluut niet zelf in de belangstelling staan.”

Nederlandse mecenassen zijn „wat kopschuw”, zegt Henk Kievit, universitair docent maatschappelijk ondernemen aan Nyenrode Business Universiteit. Kievit promoveerde vorige maand op een onderzoek naar ondernemers en charitas en interviewde daarvoor 18 weldoeners over hun motieven. De schuchterheid heeft alles met de „volkscultuur” te maken, volgens Kievit. „In Amerika ben je geslaagd als je rijk bent, hier wordt er toch snel argwanend naar je gekeken. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.” Het heeft misschien ook met tact te maken, of met bescheidenheid, speculeert hoogleraar Schuyt. „Dat onderscheidt ons van de Amerikanen. In de Europese cultuur willen rijken wel ergens bij betrokken zijn, maar stellen ze zich liever bescheiden op.”

Frans Hazewinkel vindt het „al snel een beetje genant worden” als hij praat over zijn stichting. „Als je niet uitkijkt, denken ze dat je een opschepper bent. Hier in Groningen houden ze daar niet van.”

De mecenassen die Henk Kievit voor zijn proefschrift sprak, zeiden het vrijwel allemaal: geld verdienen is moeilijk. Maar geld weggeven is nog veel moeilijker. Het goede doel waar je geld aan geeft moet immers wel deugen. Zo moest Oprah Winfrey een paar jaar geleden uitgebreid door het stof omdat een van de door haar gesubsidieerde meisjesscholen in Zuid-Afrika leerlingen zou mishandelen.

„De angst dat het misgaat is vaak groot”, zegt Kievit. Daar komt nog een angst bij: wie aan de grote klok hangt dat-ie geld weggeeft, wordt binnen de kortste keren overspoeld met vragen. „Mensen weten je onmiddellijk te vinden”, zegt Annelies van der Vorm. „We krijgen veel bedelbrieven. Soms met bizarre verzoeken. Van mensen die zichzelf heel zielig vinden en graag elke maand een toelage van ons willen. Je moet dus voortdurend keuzes maken. Schiften. Dat is best een klus. Wat moet je met al die treurige verhalen?”

„Als Joop op televisie is geweest, zit de postbus hier weer vol bedelbrieven”, zegt Ryclef Rienstra, directeur van de VandenEnde Foundation (jaarlijks 9 miljoen aan giften), van Joop van den Ende en zijn vrouw Janine. Maar dat weerhoudt het echtpaar Van den Ende er niet van om openlijk voor hun vrijgevigheid uit te komen. „Integendeel”, zegt Rienstra. „Joop heeft altijd de publiciteit gezocht. Wat dat betreft is hij anders dan andere Nederlandse weldoeners. Hij vindt juist: laat maar zien wat je doet. In de hoop dat andere vermogenden zijn voorbeeld volgen.”

    • Patricia Veldhuis