Vader als vader

Een machtige man wordt postuum geëerd door zijn familie. Een kort verhaal over een man die graag de regie houdt. Door schrijver Franca Treur.

‘Je moet niet het hele mapje meenemen”, zegt hij door de telefoon tegen zijn zus. „Een stuk of vijf is zat.”

„Dat was ik heus niet van plan, het hele mapje”, zegt Sjoerdje.

„Die waarop hij mij leert schieten is leuk, met zijn hand op mijn schouder. En die van mij en hem op mijn tiende verjaardag, als ik zijn grote pet op heb. Weet je welke ik bedoel?”

„Als jij er maar op staat”, zegt Sjoerdje.

„En die bij die tank.”

„Van jou zijn er tenminste nog foto’s gemáákt.”

Hij kijkt naar buiten, waar de buurvrouw naar haar autootje loopt. Ze is al half in de dertig, maar ze heeft nog een jongemeisjesmanier van lopen, met van die wiebelende billen.

Haar nieuwe vriend komt achter haar aan. Hij gaat aan de bijrijderskant zitten. Zo gaat dat tegenwoordig. De man laat zich verdrijven vanachter het stuur.

„Ik was het lelijkerdje”, zegt zijn zus. „Tegen mij zeiden ze nooit: lach eens naar het vogeltje.”

„Ach kom.” Hij wil dit gesprek niet. Hij heeft nu andere dingen aan zijn hoofd.

„Ik weet het niet hoor. Neem er maar vijf mee, en vergeet die drie niet die ik zei.”

„Ja, Huub, ik neem ze mee. Half acht, hè?”

„Ja, half acht.”

„Komt die man ook om half acht, of komt hij later?”

„Ook om half acht.”

Hij moet verder met de voorbereidingen. Hij knipt de kastarmatuur aan. Mooi licht vindt hij dat. De glans die alles daarmee heeft, die krijg je nooit met een gewone lamp. Hij pakt de plumeau en haalt hem over de verrekijker, de pijpen, en heel voorzichtig over de rij insignes. Wat glimmen ze.

Het zijn ze niet allemaal, bij lange na niet. De meeste liggen in Kornwerderzand, in het Kazemattenmuseum. Wat hij hier heeft liggen, zijn de oudere onderscheidingen, de lagere in rang. Maar die vindt hij toevallig wel de mooiste. Hij pakt zijn liniaal uit de la, legt hem tegen het rijtje aan. Hij knikt tevreden. Ze liggen goed.

Hij zet veertien stoelen in een kring. Twee voor zijn zussen, een voor de journalist, een voor hemzelf. De andere tien stoelen zijn voor Sjoerdjes kinderen en kleinkinderen, althans degenen die kunnen komen. Iedereen is druk tegenwoordig.

De mannen van zijn zussen komen niet. Die van Sjoerdje is dood en die van Trix zit met een open been. Trix heeft nog wel een dochter, maar die woont in Nieuw-Zeeland. Zelf heeft hij er ook een, maar die wil haar vader niet meer kennen. Komt door Maria, zijn vrouw. Hoe zij heeft lopen stoken, dat hou je niet voor mogelijk. Ex-vrouw, moet hij zeggen. Ex-, als in ex-militair. Iets wat je niet meer bent.

Het is een allegaartje aan stoelen, maar het is niet anders. Hij heeft nog geprobeerd om stoelen te regelen van Amicitia, allemaal dezelfde, maar in Amicitia is vanavond gewoon soos.

Mooi dat die journalist wou komen. Geen landelijke pers, maar toch televisie. En misschien wordt het item wel overgenomen. Eindelijk krijgt hun vader de aandacht die hij verdient. Aan de andere kant krijgen de media de kans om hun fout te herstellen. Zo moet je het ook zien.

Toen hun vader overleed, had hij direct het ANP willen bellen. Hun vader had een enorme staat van dienst. Hij zou mooie necrologieën krijgen. Zijn vader zinspeelde er wel eens op, dat hij van een of andere geschiedenis maar hoopte dat die aangestipt zou worden. Niet om hemzelf, maar omdat het belangrijk was voor een land om niet te vergeten.

Maar zijn zussen zaten nog naar hun vingertoppen te kijken, ze hadden er pa zijn ogen net mee dichtgedrukt. „Het is chiquer om nog eventjes te wachten”, zeiden ze. „Dan hebben we hem nog een paar dagen voor onszelf.” Maria vond dat ook. Ze zei dat hij geobsedeerd was door zijn vaders roem. „Hij is ook gewoon je vader”, zei ze. „Je mag best verdrietig zijn.”

Sentimenteel gedoe. Hij had nooit naar hen moeten luisteren. Dat had hij wel geleerd, hij zou nooit meer de regie uit handen geven. En zeker niet aan vrouwen.

Hij had drie dagen met het telefoontje gewacht. Bij het ANP kreeg hij ten slotte een of ander grietje aan de lijn, ze zou de boodschap doorgeven. Het zei haar allemaal niks.

„Peerenboom? Twee e’s?”

„Hij is negentig geworden”, zei hij nog. „De leeftijd der zeer sterken.”

Het meisje moest door.

„Zal ik uw nummer dan maar noteren, mijnheer?” Hij had gewacht tot hij werd teruggebeld. Omdat hij zich nergens toe kon zetten, was hij helemaal tegen zijn gewoonte in maar televisie gaan kijken. Zomaar midden op de dag. En toen zag hij een van die twee hoge torens in New York in brand staan, en even later zag hij hoe een vliegtuig in de tweede vloog.

Foute boel, dacht hij.

Het telefoontje was nooit meer gekomen en de begrafenis vond plaats zonder dat er in de kranten ook maar een woord aan hun vader was gewijd. Natuurlijk, ze hadden zelf een rouwadvertentie geplaatst in de NRC, en die had mooi in het midden van de pagina gestaan, maar dat was het enige geweest. Verder niets.

Tien jaar was dat alweer geleden! Nou dat is de kranten ook niet ontgaan, dat jubileum. Ze kunnen alweer over niks anders schrijven. Het is Ground Zero dit en Ground Zero dat, alsof dat Ground Zero hier in de Flevopolder ligt.

Net als toen.

Alles moesten ze over die terroristen weten, alles. Dat Mohammed Atta van schaken hield, dat hij verliefd was geweest op een Palestijns meisje, maar dat hij van zijn vader eerst moest promoveren. Waarom moest het allemaal in de krant? Was er één positief wapenfeit van die man op te noemen, waarom hij al die aandacht verdiende?

Een dingetje had hem nog wel getroffen. In Trouw stond dat er instructies waren gevonden die Atta had opgesteld voor na zijn dood. Er mochten geen vrouwen naar zijn begrafenis komen, en ze mochten later ook niet naar het graf. Daar had die Atta toch nog een punt gehad.

Half zeven, hij moet nog eten. Straks staat hier de kamer vol. Weet je wat, hij maakt gewoon snel een bord havermout. Dat kan best een keer.

Zijn zussen hadden zich ook kapot geërgerd aan de kranten. Toen pa een maand dood was, waren ze langsgekomen, Sjoerdje en Trix. Ze hadden onafhankelijk van elkaar de stapels meegenomen. Sjoerdje de NRC, Trix de Volkskrant. Zelf had hij ook de NRC. En Trouw, de krant van het verzet. Ze hadden al het papier eerst verfrommeld en toen in zijn open haard gelegd. Dat laatste had hij zelf gedaan. Je wou natuurlijk niet je hele kamer onder de as. Het was een machtig gevoel geweest. Een beginnetje van gerechtigheid.

Vanavond de rest.

Hij verbrandt zijn tong aan de havermout. Hij had het in een bord moeten doen, niet in een kom. Hij kiept het alsnog over in een bord, schrokt het naar binnen.

Hij moet nog even een ander hemd aantrekken. Of nee, hij doet zijn pak aan. Daar is het wel de gelegenheid voor. Als hij nu geen pak aan kan, wanneer dan wel? Hij hoopt dat zijn zussen zich een beetje optutten. Sjoerdje vertrouwt hij wel, die doet wel haar best. Goh, dat ze zich het lelijkerdje noemde, vanmiddag. Nou ja, misschien was ze dat ook wel.

Hij belt met Trix. „Wil je je lippen stiften voor een keer”, vraagt hij. „Het is voor op televisie.”

„Ik stift mijn lippen nooit”, zegt Trix, „ook niet voor televisie.”

„Toe”, zegt hij. „Dat zie je niet echt, maar het maakt je net even vijf jaar jonger.”

„Waarom moet ik vijf jaar jonger zijn”, zegt Trix. „Ik sta al met een been in het graf.”

Dat is Trix. Niet iemand die een beetje meewerkt. Daarom laat hij haar niet spreken vanavond. Ze zal een kort stukje op de piano doen.

„Komt die man ook om half acht”, vraagt ze. „Waar is hij ook alweer van?”

„RTV Noord-Holland”, zegt Huub.

Er zijn niet genoeg stoelen. De journalist van RTV Noord-Holland heeft een mannetje meegenomen die de camera draagt. Daar heeft Huub niet op gerekend.

„Heb je nog ergens een stoel”, vraagt Sjoerdje.

„In de slaapkamer”, antwoordt hij met tegenzin. Het is een rotstoel. Hij maakt een scheetgeluid als je ervan opstaat.

Het is tijd om de programma’s uit te delen. Hij is niet helemaal tevreden over het omslag. Hij had een foto van zijn vader in uniform genomen en daar met een fineliner een paar van zijn beroemde wapenspreuken bijgeschreven. Eerst was het mooi, maar toen had hij er te veel op gezet en was het verknoeid. De man van de kopieerwinkel had gezegd dat het nog wel kon. Het was anders ook zonde van die prachtige foto.

Zelf doet hij de eerste speech. Daarna komt Sjoerdje. Hoe laat had hij haar ook al weer ingepland?

Hij kijkt in het programma. 20.30 uur: Mevrouw S.J.H. Sik-Peerenboom. Herinneringen aan onze vader als vader, aan de hand van enige kiekjes. Hij wist niet of drie kwartier wel genoeg was voor zijn speech. Bij het oefenen wel, maar als hij aan al die vellen denkt die hij moet voorlezen, voelt hij zich plotseling moe. Een bakje pleur, denkt hij. Dan gaat het wel weer.

De cameraman en de journalist willen weten waar hij straks gaat staan.

„Ik dacht hier”, wijst Huub. „In het midden.”

„Dat is een goed plan”, zegt de cameraman. Alsof hij er iets over te zeggen heeft.

„Kan dit uit, dit stopcontact heb ik even nodig”, zegt de cameraman. Het is voor een extra lamp. Hij trekt al aan de stekker, de kastarmatuur floept uit. Nee, schudt Huub, hij wil iets over de glans zeggen, maar opeens staat Trix voor zijn neus met een stapel Volkskranten. „Zullen we die weer ritueel verbranden”, zegt ze, „net als toen?”

„Ritueel verbranden”, vraagt de journalist nieuwsgierig. Hij ruikt sensatie. De cameraman spitst ook zijn oren. „Iets verbranden is wel mooi voor het beeld.”

Huub moet even gaan zitten. „Nu even geen kranten verbranden, Trix”, zegt hij vermoeid. „Dit is een serieuze herdenking in familiale kring.”

De cameraman blijft aanhouden dat het voor het beeld heel goed zou zijn. Hij loopt met zijn camera naar de haard, komt weer terug. „Perfect”, zegt hij enthousiast.

„De kranten”, legt Trix intussen de journalist uit, „de kranten kijken alleen naar wat lekker is. Sensatie. Wanhopige springers, terroristen. Daar schrijven ze over. Dat er een heleboel wezenlijks blijft liggen, interesseert ze niet.” De journalist knikt. Hij snapt de link tussen verbranding en gerechtigheid.

„Het gebeurt niet”, zegt Huub. „Het is belachelijk.”

De camera draait.Huub gaat staan. Prrrrrrrrt, doet zijn stoel. Hij houdt zijn adem in. Iemand giechelt.

Hij was van plan om eerst de kring helemaal rond te kijken, maar nu houdt hij zijn ogen maar op het papier.

„Onze vader, grootvader en overgrootvader, wijlen Marinus Petrus Peerenboom, die wij hier vanavond herdenken, was een groot militair die ervoor zorgde dat de Afsluitdijk begin mei 1940 niet in Duitse handen viel. Maar, geliefde familie, laat ik bij het begin beginnen.”

Eerst is zijn stem onvast, maar al snel raakt hij op dreef. Hij vertelt hoe zijn vader is begonnen als adelborst, en hoe hij al snel een hoge bevelhebber werd op de Johan Maurits van Nassau. Hij spreekt over heldhaftigheid, vaderlandsliefde, rechtschapenheid. Woorden met een heleboel lettergrepen. Hij laat zijn stem omhoog gaan bij de gevaren die zijn vader moest trotseren en wanneer hij het er goed vanaf heeft gebracht, weer omlaag, precies zoals hij heeft geoefend. Hij voelt dat het goed gaat.

Zes minuten, heeft de journalist gezegd. Voor een televisie-item is dat lang.

Precies om half 9 is hij klaar. Het voorlezen heeft hem energie gegeven, maar nu hij klaar is, is hij blij dat hij weer zit.

Sjoerdje heeft woord gehouden, ze heeft de foto’s bij zich waarom hij heeft gevraagd.

„Kijk, op deze kun je goed zien hoe groot pa was”, zegt ze. Ze zegt het vier keer, steeds op een andere plek. Ze krijgen haar hoofd niet goed in het licht.

„Band loopt”, zegt de cameraman.

„Hij was dus groot, onze vader. Hij moest bukken voor de deur van het fietsenschuurtje. Hier leert hij Huub hoe hij een geweer moet vasthouden. Hij nam zijn geweer altijd mee naar huis. We mochten er graag naar kijken. Niet aanraken, alleen Huub mocht er onder begeleiding aan komen, de meisjes niet. Hij nam nooit iets voor ons mee uit de landen waar hij heen ging. Dat kwam niet in hem op. Wel was er wel eens iets voor Huub, een baretembleem van een soldaat die pa zelf had gedood, een bijbeltje in het Spaans. Daar zat dan een verhaal bij. Eigenlijk vertelde hij die verhalen alleen aan Huub, en als wij toevallig in de buurt waren, dan hoorden wij ze ook. We gaven hem nooit een nachtzoen. Daar hield hij niet van.”

Sjoerdje houdt een volgende foto omhoog. Wijst aan, praat. Huub kijkt naar de foto’s, ziet zichzelf met een pet op. De pet is veel te groot, hij staat wiebelig op zijn hoofd. Hij moet uitkijken dat hij niet valt, die pet, zeker wanneer de hand van zijn vader op zijn schouder begint te drukken. Het is een zware hand. Lekker zwaar, de hand van een man.

Rechthouden, dat hoofd. Hoe komen zijn ogen opeens zo vochtig?

Een traan sijpelt langs zijn neus. Hij laat het gaan, houdt zijn blik op de foto’s.

„Meneer Peerenboom”, zegt de cameraman, „graag iets meer naar het licht met uw hoofd.”