Tempeltje, boompje, beestje

Archeologie Vormen de 11.000 jaar oude steencirkels in het Turkse Göbekli Tepe de allereerste tempel – of is dat te kort door de bocht?

Aan de voet van de Anatolische laagvlakte, net voor het oude Mesopotamië begint, ligt Göbekli Tepe, Turks voor ‘buikberg’. Elke ochtend tuft er een busje Duitse archeologen heen, met in haar kielzog een kleine vijftig Koerdische arbeiders, om verder te zoeken naar het mysterie dat de heuvel in zijn buik verbergt. Dat er iets enorms verstopt zat, zag de Duitse archeoloog Klaus Schmidt direct toen hij hier in 1994 voor het eerst voet zette. “Er lag een enorme hoeveelheid vuursteen. Allemaal resten van wat een monumentaal werk moest zijn geweest.” Jarenlang voorzichtig opgraven onthulde iets dat zijn weerga niet kent. Verborgen steencirkels uit het laatste staartje steentijd, rond 9.000 voor Christus. Ouder, tweemaal ouder bijvoorbeeld dan Stonehenge, en vele malen omvangrijker dan vergelijkbare vondsten.

Göbekli’s steencirkels vertonen telkens hetzelfde patroon: twee sierlijk bewerkte kalkstenen pilaren, bijna zes meter hoog en tot vijftien ontilbare tonnen zwaar. Daar omheen een wijde cirkel van iets lagere pilaren, met kunstige reliëfs van wezens, dieren, handen, armen, schouders. Alle pilaren hebben de vorm van een kapitale T. “De afbeeldingen komen uit hun wereld”, tuurt Schmidt met geknepen ogen terug de geschiedenis in. “Maar de T-vorm is iets heel anders. Dat zijn figuren uit een heel andere wereld.” Schmidts equipe legde inmiddels vijf steencirkels bloot. Onderzoek wijst uit dat er nog vijftien verstopt liggen, letterlijk. De mensen van Göbekli Tepe begroeven hun bouwwerken na gebruik direct, wat de ontdekking niet minder mysterieus maakt.

Sie bauten die erste Tempel, heet Schmidts boek, waarin hij in 2006 voor het eerst zijn theorie ontvouwt. Op Göbekli Tepe, zegt Schmidt, bouwden de mensen uit het stenen tijdperk hun allereerste heiligdom. Soms ziet hij het voor zich: “Ze kwamen van ver, en met veel, om hier iets te vieren. Ze hebben gedanst, gegeten, gedronken, als in een groot feest met veel muziek en kleur, terwijl ze dit monument creëerden. We vinden verzamelingen botten, ik denk dat het een plek voor ritueel herbegraven was. Het was geen primitief volk, en ze waren met veel, anders kun je zoiets niet maken. Ik vermoed zeker tweehonderd, misschien wel vijfhonderd volwassen mannen.”

Geen woonvertrekken

Essentieel in Schmidts theorie is iets dat op Göbekli Tepe niet gevonden is: sporen van dagelijks leven. Geen resten van vuur, geen resten van planten, geen woonvertrekken, niets dat wijst op bewoning. Vandaar dat Schmidt Göbekli Tepe niet beschouwt als zomaar een nederzetting, voorzien van wat rituele hoekjes, zoals er elders gevonden zijn. Nee, Göbekli Tepe is de allereerste plaats geconstrueerd puur en alleen om rituelen uit te voeren.

En Schmidt gaat nog verder: Göbekli Tepe is een cesuur in de geschiedenis, want precies hier begon de sedentarisatie. Vanwege Göbekli Tepe stopte de mens met jagen en verzamelen, om zich toe te leggen op landbouw en veeteelt, en zo de omgeving naar zijn hand te zetten. Onbewust en ongemerkt, en gemeten over eeuwen, maar in het licht van de millennia toch een revolutie. Schmidt: “Omdat ze hier met zovelen waren, moest voedsel aangevoerd worden vanuit de wijde omgeving. Omdat daarvoor onvoldoende voedsel te jagen en te vinden was, is men gaan domesticeren.” Bewijs voor zijn theorie vindt Schmidt in de vondst van de genetische voorvaderen van ons graan en ons vee, niet ver van Göbekli Tepe.

Schmidts theorie levert een verhaal op, zo prachtig dat het veel publiciteit krijgt. Voorlopig hoogtepunt was de komst van National Geographic, dat eerder dit jaar uitpakte met een omslagverhaal gewijd aan Göbekli Tepe: The Birth of Religion. Van collega-archeologen kwam pas dit najaar een reactie, in de vorm van een artikel in het toonaangevende tijdschrift Current Anthropology. Die reactie loog er niet om: de Canadese archeoloog Ted Banning nuanceert de vondsten en theorieën over vele pagina’s, en ontdoet Schmidts theorie daarbij van zijn fundamenten. Volgens Banning concludeert Schmidt veel te snel dat er niemand woonde op Göbekli Tepe en het puur een gebedsplaats was.

Kille wind

Volgens de critici is Göbekli Tepe met Schmidt op de loop gegaan. Ook de Leidse archeoloog Peter Akkermans komt aan het woord in Bannings stuk. Akkermans licht toe: “Een tempel, het zou kunnen, maar het zou ook iets anders kunnen zijn. Het was een hele andere wereld. Het dagelijkse en het mystieke, woonhuizen en tempels, alles liep vroeger bijna onmerkbaar in elkaar over.” In Bannings stuk wordt de bewijslast feitelijk omgekeerd: het niet vinden van sporen van bewoning betekent nog niet dat er niemand woonde. Akkermans: “In een regio met het klimaat van Göbekli Tepe blijft organisch materiaal niet bewaard, tenzij het verkoold is. Dus als je zegt dat er geen bewoning is geweest, dan zet ik daar graag vraagtekens bij.” Stelliger nog is Akkermans nog over de sedentarisatietheorie van Schmidt: “Dat zijn totaal overdreven claims, die zal hij nooit kunnen waarmaken. Er zijn zoveel parallelle ontwikkelingen, verspreid over de hele wereld, allemaal autonome gebeurtenissen naar sedentarisatie. Göbekli Tepe is een supervondst. Een waanzinnig belangrijke plek. Maar Banning wil met zijn stuk het perspectief breder maken: het zou wel eens kunnen dat Göbekli Tepe veel grotere implicaties heeft dan alleen een rituele plek.”

Geconfronteerd met de kritiek trekt Klaus Schmidt zijn oude legerjas nog wat strakker tegen de nek, als ook de kille wind uit Anatolië aantrekt. Hij is blij met alle debat, want “dat brengt ideeën voort die me uitdagen”. Het woord tempel gebruikt hij wijselijk niet meer. “Als mensen elkaar zoals hier ontmoeten, dan vindt er een gebeurtenis plaats die niet is voor te stellen zonder rituelen, die een vorm van religie zijn. Dus dit debat is onzin.” Dat Schmidts verhaal met de auteur op de loop is gegaan, wuift Schmidt weg. “Ik ben geen gelovige. Ik weet hoe een nederzetting er uit ziet. Ik heb twintig jaar hier verderop in Nevali Curi gewerkt. Daar vonden we dezelfde complexen, alleen op veel kleinere schaal. Daar heb ik twintig huizen uitgegraven. Dat ziet er echt heel anders uit.”

Schmidt ziet een duidelijk verschil tussen theorie en praktijk, of: tussen studeerkamergeleerden en zichzelf.

“Theoretisch zou het kunnen dat Göbekli Tepe een nederzetting was. Het probleem is alleen: ze komen niet kijken. Ik ben hier dagelijks, Banning is nooit komen kijken.” Als voorbeeld noemt Schmidt de opmerking van Banning dat de pilaren misschien wel een dak omhoog hielden, wat van het pilarencomplex geen tempel, maar een gewoon gebouw maakt. Schmidt slaat nog maar eens op de grootste pilaar, die met een hoog zingend geluid antwoord: “Als ze niet alleen lezen maar ook eens komen kijken, kunnen ze zien dat hier geen dak op kan. Kijk, het is simpel: we graven hier al zestien jaar, maar nooit hebben we iets gevonden wat op dagelijks leven wijst.”

Deze winter, terug in Berlijn, zal Schmidt een reactie schrijven. Het voorjaar daarop moet hij door met graven. Prioriteit heeft de aanleg van een overkapping, om verdere erosie van gesteente en oud metselwerk te voorkomen. Gaten voor het fundament van de overkapping zijn inmiddels gegraven, niet ver van de steencirkels. Daarbij is iets nieuws aan het licht gekomen: verkoolde resten. Stalen van die koolresten zijn onderweg naar Berlijn, voor analyse en datering. Schmidt vindt het nog te vroeg te concluderen dat er dus toch gewoond is op Göbekli Tepe: “Het zijn mogelijke bewijzen van dagelijks leven. De vraag is vervolgens of die nederzetting er later of eerder was. En waarom die hier was, zo ver verwijderd van water. Het zal iets zeggen over de mensen die hier woonden voordat het een heilige plek werd.” Vragen genoeg, zucht Schmidt. “Graven levert soms antwoorden op, maar meestal nog meer vragen.”