Stoflawines op Mars

Meteorieten hebben een grotere invloed op het Marsoppervlak dan tot nu toe werd gedacht. Zij verplaatsen stof en doen dat niet alleen op het moment dat zij inslaan maar ook al voordat zij het Marsoppervlak hebben bereikt. Dat is ontdekt door onderzoekers van de universiteit van Arizona op de haarscherpe opnamen van de Mars Reconnaissance Orbiter (MRO), een NASA-satelliet die sinds 2006 om de rode planeet draait (Icarus, januarinummer).

Mars heeft een ijle atmosfeer van CO2, met een dichtheid die ruwweg honderd maal zo klein is als die van de aardatmosfeer. Daardoor kunnen kleine meteorieten, die boven de aarde zouden verbranden of uiteenvallen, vrijwel ongehinderd Mars bereiken. Op de opnamen van de MRO worden elk jaar ongeveer twintig nieuwe kraters ontdekt die door recente meteorietinslagen zijn ontstaan. En rond vele van die kraters op hellingen zijn nu sporen te zien die op stoflawines wijzen.

Kaylan Burleigh en collega’s hebben in zestien van deze inslaggebieden duizenden van zulke stofsporen gevonden. Ze komen vooral voor in gebieden waar de bodem bedekt is met een vrij dikke laag lichtgekleurd stof. De donkere vorm is een aanwijzing dat hier stof is verplaatst, waardoor de donkere ondergrond zichtbaar is geworden. De onderzoekers dachten daarom dat het ging om stof dat door de trillingen van inslaande meteorieten was losgewoeld en omlaag gegleden, maar dat blijkt niet altijd het geval.

Sommige stofsporen zijn gekromd als een Turkse sabel. Deze vorm wijst er op dat het hier niet (alleen) gaat om stof dat langs een helling omlaag is gegleden maar is weggeblazen. Dat zou gebeurd moeten zijn door de schokgolf die de aanstormende meteoriet in de atmosfeer veroorzaakte. Soms zijn zelfs dubbele, symmetrische bogen te zien die niet door bodemtrillingen te verklaren zijn. De onderzoekers hebben het ontstaan van deze patronen met behulp van computermodellen gesimuleerd en vastgesteld dat de airblast van een supersone meteoriet de vorm van de gekromde sporen kan veroorzaken.

George Beekman

    • George Beekman