'Speculeren in voedsel? Daar doen wij niet aan'

Voedselprijzen stijgen terwijl de speculatie in voedsel toeneemt. De grote pensioenfondsen, die veel beleggen in grondstoffenderivaten, voelen zich daar niet verantwoordelijk voor.

Wheat ears are seen before harvesting on a large-scale wheat farm in Timau, near Nanyuki, Kenya, on Friday, Aug. 19, 2011. The cost of corn, Kenya's staple food, has begun declining after the humanitarian crisis in the Horn of Africa rekindled concern over food shortages and worsened the inflation outlook. Photographer: Trevor Snapp/Bloomberg Bloomberg

Bijna was Kris Douma van pensioenuitvoerder Mn Services overtuigd door alle discussies die suggereren dat beleggingen in voedselderivaten de prijs van tarwe, rijst of soja opdrijven. „Er zijn zoveel mensen die een relatie leggen. Waar rook is, is vuur, dacht ik”, vertelt het hoofd verantwoord beleggen van Mn Services. Dat is de pensioenuitvoerder en vermogensbeheerder voor de verschillende metaalpensioenfondsen.

De onderzoeksafdeling werd aan het werk gezet. Klopte de eigen aanname dat de manier waarop Mn Services in grondstofcontracten handelde geen enkele invloed had op de prijzen die voedselproducenten op de échte markt betalen voor hun grondstoffen? Moest het beleggingsbeleid veranderen?

Voorlopig is het antwoord: Nee. „Niemand heeft wetenschappelijk de relatie kunnen leggen”, zegt Douma, voormalig vakbondsman en ex-Kamerlid van de PvdA. „Iedereen is op zoek naar de smoking gun, maar niemand kan vaststellen of de prijzen van derivaten de prijzen van de voedselgrondstoffen opdrijven.”

Pensioenfondsen en andere institutionele beleggers liggen onder vuur, omdat zij een deel van hun vermogen beleggen op markten waar termijncontracten in voedselgrondstoffen (futures) worden verhandeld. Het gaat om kleine percentages van hun vermogens, maar nog altijd om circa 5 miljard euro. Dat blijkt uit onderzoek dat de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (Somo) samen met NRC Handelsblad en televisieprogramma Zembla heeft uitgevoerd naar de activiteiten van Nederlandse financiële instellingen in voedselderivaten.

Toen de voedselprijzen in 2007 en 2008 wereldwijd snel tot recordhoogte stegen, kwam de discussie voor het eerst los. De voedselrellen dat jaar in landen als Egypte, Haïti en Indonesië maakten veel indruk. Voedselspeculatie zou de prijzen op de grondstoffenmarkten flink opdrijven, waardoor eten onbetaalbaar werd voor de armere bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden.

Door de financiële crisis ebde die discussie even weg. De voedselprijzen daalden weer, de kritiek op de financiële sector concentreerde zich op andere onderdelen. Maar nadat in 2010 en dit jaar de voedselprijzen opnieuw sterk stegen, mengden ook andere partijen zich in de discussie.

Unilever-topman Paul Polman zei dat „prijsstijgingen speculanten heeft aangetrokken die op korte termijn winst willen halen ten koste van mensen die een fatsoenlijk leven willen leiden.” Hij pleitte bij de Europese Unie voor maatregelen.

De speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel, Olivier de Schutter, schreef vorig jaar in een rapport dat „een significant deel van de gestegen prijzen en volatiliteit van voedselgrondstoffen alleen verklaard worden door een speculatiezeepbel.”

Gisteren zei de Belgische econoom De Schutter in een documentaire van Zembla: „Er wordt twintig keer meer maïs of graan verhandeld door financiële spelers dan er in werkelijkheid aan maïs of graan is. Die spelers zien nooit een korrel maïs of graan, maar gokken met zóveel geld dat het de werkelijke prijzen van die gewassen opdrijft. Dat is extreem immoreel.”

Financiële partijen, waaronder pensioenfondsen, hebben zich sinds het begin van deze eeuw op de grondstoffenmarkten gestort. Voor die tijd waren ze nauwelijks aanwezig op de grondstofderivatenbeurzen, inmiddels hebben zij voor 400 miljard dollar geïnvesteerd.

Niemand beweert dat de voedselprijzen alleen door speculatie zo hoog zijn. De groei van de wereldbevolking, de grotere vleesconsumptie in opkomende economieën, periodes van droogte en overstromingen, overheden die export belemmeren en het gebruik van landbouwgewassen als biobrandstof zijn andere factoren. Maar de verdenking dat de wassende stroom aan speculanten een prijsopdrijvend effect heeft, wordt groter.

Somo bestudeerde de onderzoeken die academici en internationale instellingen de laatste jaren hebben gepubliceerd en concludeert dat „er een consensus groeit dat er ten minste enige relatie is” tussen de derivatenhandel en de gestegen voedselprijzen. Onderzoeker Rens van Tilburg vindt dat pensioenfondsen moeten stoppen met deze beleggingen. „In elk geval tot er meer helderheid is. Het gaat hier om een eerste levensbehoefte. Dan moet je niet wachten tot er sluitend bewijs is.”

Maar tot op heden willen de drie grootste pensioenuitvoerders van Nederland hun beleid niet aanpassen. APG, PGGM en Mn Services verzetten zich tegen het etiket ‘voedselspeculant’ dat ze krijgen opgeplakt. „Pensioenfondsen speculeren niet”, zegt Wouter Pelser, directeur beleggingen bij Mn Services. „We zitten voor de lange termijn met een portefeuille in deze markt.”

Volgens de pensioenfondsen wordt, zoals ze dat uitdrukken, ‘correlatie met causaliteit verward’. De correlatie betekent dat de instroom aan kapitaal in de grondstoffenmarkt gelijk opging met de stijging van de prijzen. Maar dat hoeft nog niet direct te betekenen dat de prijzen juist daardoor gestegen zijn. Zij zien daarvoor geen wezenlijk bewijs en voelen zich gesterkt door een deze maand verschenen onderzoek dat het ministerie van ELI heeft laten uitvoeren door onderzoeksbureau Profundo en het Landbouw Economisch Instituut.

Volgens Olav Houben, senior portfolio manager commodities bij APG, zijn er hooguit zeer tijdelijke prijseffecten van een paar uur of maximaal een dag. „Ik ben ervan overtuigd dat als je eenmaal een stabiele stevige massa bent en je niet fors aan het kopen of verkopen slaagt, je ook geen impact op de markt hebt.”

Banken hebben meer twijfels. Zij begeleiden klanten in de agrarische sector in het afdekken van hun risico’s via futures. Landbouwbedrijven en boeren sluiten deze termijncontracten zodat ze niet te lage prijzen krijgen voor hun rijst, soja of graan. Afnemers van die grondstoffen willen met futures juist het risico reduceren dat ze plotseling hoge prijzen voor grondstoffen moeten betalen.

Door de toenemende discussies zijn ook zij gaan onderzoeken of hun betrokkenheid schadelijke gevolgen heeft. „Ik ben daar heel open in: wij weten het ook niet”, zegt Gilles Boumeester, hoofd voedsel- en landbouw bij Rabobank. „Ik heb nog niet gezien dat de handel in derivaten een definitief, significant effect heeft op de prijs. Het gaat toch vooral om ouderwets vraag en aanbod.”

Pensioenfondsen noemen zichzelf passieve beleggers en vinden dat ze juist een dempend effect op de markt hebben. Zij beleggen een vast percentage van hun vermogen in de voedselgrondstoffen. Gaan de prijzen omhoog, dan moeten ze verkopen. Komt de waarde van de portefeuille door prijsdalingen onder dat percentage, dan moeten ze bijkopen. „Dat heeft allemaal niets te maken met een prijsopdrijvend effect”, zegt Jan Willem van Oostveen, manager vermogensbeheer van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn.

Somo stelt daar tegenover dat deze ‘herbalancering’ de signalen uit de echte markt juist onderdrukt en het dus moeilijker maakt om vraag en aanbod in evenwicht te krijgen.

Zien de pensioenfondsen en banken geen enkele reden tot actie? Kris Douma van Mn Services: „We staan open voor ander bewijs. En dat hoeft niet voor 100 procent snoeihard te zijn. De ernst van de situatie is voor veel mensen groot, dus als er een aannemelijk vermoeden is dat onze activiteiten wel invloed hebben op de hoogte van de voedselprijzen, dan zullen we de portefeuille afstoten.”

Van Oostveen laat doorschemeren waarom hij huiverig is om aan de druk toe te geven. „Als dit het enige dossier was, zou het niet moeilijk zijn. Met 700 miljoen euro is het voor ons geen grote belegging. Maar de volgende vraag is natuurlijk: Waarom beleggen jullie in olie?”

    • Daan van Lent
    • Hanneke Chin-A-Fo