Rechters wordt vrijheid ontzegd

In een aantal recente affaires worden pogingen ondernomen om rechters de mond te snoeren. Dit is niet terecht. Afgezien van zaken waarbij zij direct betrokken zijn, mogen rechters zich overal over uitspreken, betoogt Peter Kop.

De vrijheid van meningsuiting is verwoord in artikel 7 van de Grondwet en in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook de rechter kan zich met succes beroepen op artikel 10 van het Europees Verdrag als hij ten onrechte wordt gekneveld. In Nederland mag een rechter natuurlijk nooit het geheim van de raadkamer schenden en hij moet z’n mond houden over een zaak waarmee hij bezig is dan wel is geweest of mogelijkerwijs zal zijn, zo dit te voorzien is. Voor het overige mag hij in beginsel alles zeggen, zolang het maar valt binnen de kaders van artikel 10.

Wat zien wij nu? Gerechtelijke besturen die bezorgd kijken naar Geert Wilders en naar alles wat zich rondom hem afspeelt. Ze kruipen, naar het schijnt, bijna angstig in hun schulp. Je had de rel rond de benoeming van hoogleraar Ybo Buruma, die zijn lidmaatschap van de PvdA – steen des aanstoots voor de PVV – opzegde, bij zijn benoeming tot lid van de Hoge Raad; het verdwijnen van raadsheer-plaatsvervanger Tom Schalken toen hij openlijk blijk gaf van zijn kritiek op het proces-Wilders; het afvoeren van de lijst van te benoemen raadsheren-plaatsvervanger van mijzelf toen ik vond dat Schalken die kritiek op het proces Wilders openlijk mocht uiten; en dan nu het frustreren van een verandering van loopbaan van advocaat-generaal Diederik Aben, omdat hij een Wilders onwelgevallig stuk heeft geschreven.

Dit alles heeft het door het Hof te Straatsburg in een aantal zaken vastgestelde chilling effect – zeg maar keurig een ‘ontmoedigend effect’ – op de vrijheid van meningsuiting van rechters. Deze vrijheid is broodnodig voor het vrije intellectuele klimaat en dus ook voor de onafhankelijkheid in oordeelsvorming en denken van de rechter. Een debat tussen en met magistraten is zonder deze vrijheid niet denkbaar.

De gerechtelijke besturen zullen er dus alles aan moeten doen om deze aanval op de onafhankelijkheid van de derde macht af te weren. Zij zullen hun rug recht moeten houden, wil het ambt van rechter nog aantrekkelijk blijven voor onafhankelijke geesten. Politiek opportunisme is daarenboven in deze materie uit den boze. Het met succes laten afschieten door de PVV van iemand die op enige manier niet in het straatje van Wilders past, wat ook zijn of haar capaciteiten zijn, past niet in een democratische en rechtstatelijke samenleving. Geen enkele politieke partij kan zich iets dergelijks veroorloven.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg heeft naar aanleiding van artikel 10 een paar belangwekkende uitspraken gedaan die de vrijheid van meningsuiting van de rechter betreffen. De zaak van Herbert Wille tegen het vorstendom Liechtenstein hoort hiertoe. Deze zaak speelde eind jaren negentig. Wille, president van een belangrijk gerecht te Liechtenstein (de Verwaltungsbeschwerdeinstanz) en voorheen lid van de regering van dit land, geeft een lezing over de aard en de taken van het belangrijkste gerechtshof van dat land (het Staatsgerichtshof). Hij stelt dat dit Hof bevoegd is te beslissen in een geschil tussen de vorst (de regering) en de landdag (het parlement). Het hof mag volgens Wille beslissen wanneer deze twee partijen het oneens zijn over de uitleg van een artikel van de Grondwet.

Een verslag van de lezing komt in de krant. Prins Hans Adam II van Liechtenstein is het grondig met Wille oneens. Hij schrijft een brief naar hem om zijn verontwaardiging kenbaar te maken en concludeert, na een verwijtend betoog, dat Wille zich niet gebonden voelt aan de Grondwet en opvattingen verdedigt die ingaan tegen de zin en de woorden van de Grondwet.

De prins kondigt aan Wille, vanwege diens opvatting, niet meer te (her)benoemen in enig publiek ambt, ook niet als hij wordt voorgedragen door een hiertoe bevoegde instantie. Als Wille door de landdag wordt voorgedragen voor een nieuwe termijn als president van het door hem voorgezeten gerecht en Hans Adam II hem inderdaad weigert te benoemen, ontstaat een geschil.

Dit bereikt uiteindelijk het Hof te Straatsburg. Het Hof overweegt dat de prins, met de aankondiging van zijn voornemen hem niet te herbenoemen in een openbare functie, Wille bestraft voor het uitoefenen van zijn recht op vrije meningsuiting. Dit heeft een ontmoedigend effect – a chilling effect – op de uitoefening van Willes recht op vrije meningsuiting en belet hem wellicht in de toekomst gebruik te maken van dit recht. Het Hof te Straatsburg stelt onder meer vast dat de regering van Liechtenstein Wille geen enkel verwijt maakt betreffende de wijze waarop hij tot nu toe zijn ambt heeft bekleed en oordeelt dat het handelen van de prins artikel 10 schendt.

Een andere zaak betreft de Russische rechter Olga Kudeshkina. Zij maakt vanaf 6 november 2000 deel uit van de rechtbank van Moskou en wordt, na achttien jaar rechterlijke werkzaamheden, door een tuchtcollege uit haar ambt ontzet naar aanleiding van een aantal verklaringen in de media. Zij heeft kritiek op het feit dat zij is onttrokken aan een zaak die een politieonderzoek betreft in een grootschalige affaire van corruptie en financiële fraude.

Haar kritiek gaat evenwel verder. Ze zegt onder meer dat het jarenlang werken in de rechtbank van Moskou haar doet twijfelen aan het bestaan van onafhankelijke gerechten in Moskou; dat een rechter, alhoewel die onafhankelijk behoort te zijn, soms niet meer is dan een klerk of een ondergeschikte van de rechtbankpresident; dat rechtbanken soms worden gebruikt als een instrument voor commerciële, politieke of persoonlijke manipulatie; dat het land in een staat van wetteloosheid zal geraken als alle rechters blijven zwijgen; dat men verbijsterd is door de wetteloosheid, nu de wet tamelijk strikt wordt toegepast als het gewone mensen betreft en niet als het mensen betreft die belangrijke posten bekleden; dat het bestuur van een rechtbank iedere rechter test om te zien hoe flexibel hij is, opdat de bestuurders weten aan welke rechter een delicate zaak moet worden toebedeeld en welke rechter dan juist niet moet worden ingezet; dat niemand ervan verzekerd kan zijn dat zijn zaak conform de wet wordt beslist en niet om iemand een plezier te doen.

Kudeshkina gaat in beroep tegen de beslissing van het tuchtcollege en verliest dit, zoals zij ook de daarop volgende procedure bij de Hoge Raad in Rusland verliest. Zij klaagt vervolgens bij het Hof in Straatsburg tegen de Russische staat, op grond van schending van haar recht op vrije meningsuiting. Deze zaak wint zij. De disciplinaire straf vormt volgens het Hof een inbreuk op dit recht, zoals bedoeld in artikel 10 van het Verdrag. Het artikel vormt volgens het Hof een waarborg van het recht van vrije meningsuiting van ambtenaren en magistraten. Het Hof zegt uitdrukkelijk dat deze vrije meningsuiting een van de wezenlijke grondslagen is van een democratische maatschappij en niet alleen betrekking heeft op informatie of ideeën die, zeg maar, onschadelijk zijn, maar ook slaat op ideeën die beledigen, schokken of in verwarring brengen. Dit heeft te maken met de eisen van pluralisme, tolerantie en liberaliteit, zonder welke een democratische maatschappij niet kan bestaan.

In zijn oordeel van 26 februari 2009 benadrukt het Hof dat het bij de uitlatingen van Kudeshkina niet gaat om persoonlijke grieven of persoonlijk gewin, maar dat het openbare kritiek betreft met betrekking tot een uiterst gevoelige zaak waarin zij rechter was, namelijk het gedrag van ambtenaren die betrokken zijn bij een corruptiezaak van grote omvang. Het hof acht haar kritiek relevant, nu zij deze belangrijke zaak met een publiek belang aan de orde stelt. Deze zaak moet in een democratische maatschappij vrijelijk kunnen worden bediscussieerd. Het hof acht in de gegeven omstandigheden het ontslag van Kudeshkina volstrekt disproportioneel en wijst op het chilling effect dat de vrees voor sancties heeft bij de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. Het Hof acht zo’n chilling effect funest voor een democratie.

Men kan in elk geval concluderen dat over de vrijheid van meningsuiting van de rechter niet moet worden gemarchandeerd.

Mr. P.C. Kop is rechtshistoricus en was tot 1 januari 2010 raadsheer in de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden.

    • Peter Kop