Natuurlijk ik heb spijt

Turner Yuri van Gelder hangt weer in de ringen na een schorsing wegens cocaïnegebruik. ‘Ik ben strijdend ten onder gegaan.’

Cocaïne. Yuri van Gelder krijgt het woord niet meer over zijn lippen. ‘Dat spul’ heeft zijn leven bijna geruïneerd. ’t Liefst mijdt de turner het als gespreksonderwerp. Omdat hij vindt dat over zijn cocaïnegebruik alles al wel gezegd is. Het is tijd om „positieve berichten de wereld in slingeren”. Maar de ringenspecialist beseft dat hij een stempel heeft waar ie nooit vanaf komt. „Ik moet ermee leren leven.”

Nu Van Gelder zijn schorsing van één jaar heeft ‘uitgezeten’, de breuk met de turnbond KNGU is hersteld, hij bijna terug is op zijn oude turnniveau en al anderhalf jaar gelukkig is met zijn Braziliaanse vriendin Katarina gloren nieuwe perspectieven. In die zaken wil hij zijn energie steken. Geen toekomst zonder verleden, Van Gelder weet het, maar terugkijken doet wel verdomde veel pijn.

De sportman met het Jerommeke-postuur turnt nog. Natuurlijk turnt hij nog. Voor Van Gelder was stoppen geen optie. Af door een zijdeur? Dat nooit. Zo zit de turner niet in elkaar. Bovendien, hij is nog maar 28 jaar. Als Van Gelder afscheid neemt, dan waardig; in zijn beleving met de gouden medaille op de Spelen van 2016 in Rio de Janeiro, in het land van zijn vriendin. Pas dan is zijn carrière voltooid: Nederlands, Europees, wereld- én olympisch kampioen.

Velen hadden u als turner afgeschreven. Waar haalde u de kracht vandaan om terug te knokken?

Yuri van Gelder: „Uit mezelf. Ik heb een enorme drive. En dankzij de hulp van familie, vrienden en mijn sponsors. Ik was ontslagen door Defensie, geen A-sporter meer en zou zonder inkomsten hebben gezeten als ook de sponsors waren gestopt. Maar mijn huis moest wel betaald worden. Als zij ook waren weggevallen, had ik het niet geweten.”

Had u geen behoefte aan professionele hulp?

„Als je een psycholoog bedoelt, nee. Ik ben niet zo van dat gepsychologiseer. Ik ben wel in contact gekomen met de mentale coach Marco Hoogerland. Ook zo’n samenwerking was altijd de ver-van-mijn-bedshow, maar nu we elkaar af en toe spreken is het goed.”

Hoe is het nu met u? Gebruikt u geen cocaïne meer?

„Nee, dat is helemaal voorbij.”

Er wordt beweerd dat de hang naar cocaïne nooit verdwijnt. Voelt u dat ook?

„Nou nee. Niet dus.”

Heeft u cocaïne gebruikt als partydrug of als prestatiebevorderend middel?

„Als partydrug. Het is niet prestatiebevorderend, geloof me. Het breekt je lichaam af. Nee, ik heb het ook nooit genomen om zware trainingen te kunnen volhouden. Dat is onmoge-lijk. Als je dat spul daarvoor gebruikt, klapt volgens mij je hart uit elkaar. Ik vind het heel erg dat er van een dopingschandaal wordt gesproken. Ik praat nooit goed wat ik heb gedaan, maar ik heb nooit gebruikt om beter te worden in mijn sport. Ik vind dat er een verschil tussen doping en drugs gemaakt moet worden. Ik wist dat ik fout zat en ik heb mijn straf geaccepteerd, maar ik heb de boel nooit met opzet beflikkerd.”

Vond u zichzelf verslaafd?

Na enig nadenken: „Dat is een groot woord.” En na een nieuwe stilte: „Laten we daar maar over ophouden.”

Heeft uw verblijf in een Schotse afkickkliniek geholpen?

„Ja, ik heb er baat bij gehad.” En dan met een brede grijns: „Ik kan het iedereen aanraden. Het is een mooie plek om tot jezelf te komen. Heel leerzaam. Je hebt alle tijd om je af te vragen wie je bent en wat je wilt. Ik heb die kans gekregen en met beide handen aangegrepen.”

Heeft u spijt?

„Natuurlijk heb ik spijt. Vooral dat ik een tijdje geleden moeilijk nee kon zeggen. Maar wat gebeurd is, is gebeurd. Ik zal het nooit vergeten, maar nu is de tijd gekomen om vooruit te kijken. Daarom was ik zo blij dat ik zesde werd bij de EK in Berlijn en vijfde bij de WK in Tokio. Nog niet de mooiste klasseringen, maar ik weet dat ik het nog kan.”

Maar u bent wel gestigmatiseerd.

„Dat is klote, maar het is nu eenmaal zo. De pers zal mijn verleden nooit loslaten, vrees ik. Het is een stempel dat ik op mijn hoofd heb. Het is niet het mooiste plaatje van een topsporter. Maar ik weet wie ik ben, waar ik vandaan kom en wat ik heb gedaan. Ik zal er nooit vanaf komen. Ik moet ermee leren leven.”

Bent u door de affaire veranderd?

„Mijn vertrouwen in mensen is wel afgenomen. Ik was altijd heel open, maar dat is voorbij. Hoewel, ik verwacht dat dat wel zal terugkeren. Ondanks alles heb ik een wijze les geleerd.”

Hoe moeilijk was het om op topniveau terug te keren?

„Dat was zwaar. Nadat ik de WK in 2010 in Rotterdam was ontvlucht, heb ik een maand of drie helemaal niets gedaan. Het is al slecht om tijdens een vakantie van drie weken niets te doen, laat staan drie maanden lang. Naar buiten toe leek alles rustig, maar achter de schermen had ik het gevoel doorlopend in een sneltrein te zitten. De turnbond had mij afgeschreven. Dat is letterlijk op een persconferentie gezegd. En nog meer zaken die nooit publiekelijk gemaakt hadden mogen worden. Dat was heel kwalijk. En die schande moest rechtgezet worden. Maar dat was heel vermoeiend; dat gevecht heeft me bijna kapot gemaakt. Ik moest van ver komen.”

Zit de wrok ten opzichte van de turnbond diep?

„Ja natuurlijk. Die mensen gaven mij een tweede uppercut. Maar ik had de bond nodig om te kunnen terugkeren. Gelukkig heeft sportkoepel NOC*NSF bemiddeld, anders had het een langdurige kwestie kunnen worden. Vooral dankzij de hulp van technisch directeur Maurits Hendriks is het goed gekomen. Het enige wat ik wil is aan die ringen hangen. Ja, de contacten zijn nu goed.” Met een vilein lachje: „Er werken gelukkig veel mensen bij de turnbond.”

Had u drang om te turnen ook te maken met het ontbreken van een alternatief?

„Nee nee, de motivatie komt puur uit mezelf. Ik ben een sporter, die in de bloei van zijn carrière verkeert. Ik ben nog niet klaar. Ik kan het nog en ik wil het nog. Mijn sport wil ik me door niemand laten afnemen. Ik heb het in 2009 bijna zelf weggeven. En dat gebeurt me geen tweede keer. En al helemaal niet door anderen. Ik wil nog zeker een jaar of vijf, zes, zeven of misschien acht doorgaan.”

Heeft u wel eens nagedacht over een leven na de sport?

„Ja, ik denk dan aan het geven van motivatielezingen. Van scholier tot schoenmaker, van schoenmaker tot militair en van militair tot zelfstandig topsporter. Ik heb best veel te vertellen. Ik kan me ten voorbeeld stellen aan jonge sporters, maar ook aan mensen in het bedrijfsleven. Ik praat zo nu en dan al voor groepen en dat vind ik leuk om te doen.”

U bent een bekende Nederlander geworden. Hoe gaat u daar mee om?

„O, dat vind ik wel leuk. Het is toch een erkenning van hetgeen je presteert. En dat mensen van alles over je zeggen, stoort me niet zo. Dat gebeurt toch, of je het nu leuk vindt of niet. Zo lang je maar met respect wordt behandeld. Ja, dan heb je af en toe ook last van de roddelpers. Dat was vooral kort na de affaire vervelend. Toen stonden fotografen en filmploegen op de stoep. Ik vond het vooral vervelend voor mijn ouders, die er ook last van hadden. Maar ik wist dat het over zou gaan. En dat is gebeurd. En nu ik weer sportief goed bezig ben, is het tijd om positieve berichten de wereld in te slingeren.”

U had zelfs de Olympische Spelen van volgend jaar in Londen kunnen halen.

„Ja, dat was een verrassing. Enkele dagen voor de ringenfinale bij de WK in Tokio hoorde ik dat volgens het internationaal sporttribunaal CAS de IOC-regel om dopinggestraften voor de eerstvolgende Spelen uit te sluiten onrechtmatig was. Ik had er helemaal rekening mee gehouden dat ik niet naar ‘Londen’ kon, maar die uitspraak gaf me plotseling hoop. Als het niet was misgegaan met mijn afsprong, zou ik misschien een medaille hebben gewonnen en had ik me geplaatst. Nu ging het mis omdat ik een vijftal seconden voor de afsprong volledig stil hing. Iedereen denkt dat ik dat deed omdat ik twijfelde over een makkelijke of moeilijke afsprong. Maar dat was niet het geval. Ik had vooraf voor een moeilijke afsprong gekozen, omdat ik anders geen kans op medaille meende te hebben. Maar normaal doe je die afsprong vanuit een lichte zwaai. En die ontbrak. Toen ik stil hing dacht ik: shit, wat nu? Ik kon me achteraf bij de uitkomst neerleggen. Ik ben strijdend ten onder gegaan. Dan maar over vier jaar in Rio de Janeiro. Voor de laatste schakel.”

    • Henk Stouwdam