Mijn wereld maak ik weer kleiner

KNAW-voorzitter Robbert Dijkgraaf wordt directeur van het instituut waar Einstein werkte. ‘De levenskracht van de mens zit in spelen.’

fotografie Lars van den Brink, onderwerp: Robert Dijkgraaf

Ruim voor de afgesproken datum mailt de personal assistant. Over het waar en hoe van het interview. ‘Verschillende locaties? Bijzondere styling? Als we een en ander vooraf moeten weten, dan hoor ik het graag. Zelfs als het om details gaat als ‘een donker pak’ of…?’

Glamoureuzer dan Robbert Dijkgraaf (51) kun je in de wetenschap in Nederland niet worden. Spinozaprijswinnaar (in 2004), universiteitshoogleraar (aan de Universiteit van Amsterdam), lid van allerlei raden van toezicht (VPRO, Rietveld Academie, Van Gogh en Teylers Museum), columnist bij deze krant en universiteitsblad Folia, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) niet te vergeten én graag gezien gast bij De Wereld Draait Door, een televisieprogramma met een goed humeur. Net als hijzelf. „Ik zie de zaken graag zonnig in.”

Over een half jaar wordt hij directeur van het befaamde Institute for Advanced Study (IAS) aan de oostkust van de Verenigde Staten, in chic Princeton. Waar „de helft van de inwoners op Wall Street werkt en de andere helft op Princeton University en het Institute”.

Nu zit Robbert Dijkgraaf aan het hoofd van de zware houten tafel in de bestuurskamer van de KNAW in het Amsterdamse Trippenhuis. Goudbrokaten behang, beverig licht door de hoge ruitjesramen. „Er komt geen fotograaf?” Hij vraagt het „voor de zekerheid”, zegt hij. Klopt op zijn wangen. Verontschuldigend. „Anders zou ik haast voor wat kleur moeten zorgen.”

Hij ziet bleek, inderdaad. Moe, na een lange reis namens de Akademie naar Makassar in Indonesië – zijn derde reis naar Azië dit najaar. „Aan het groeiend aantal reizen lees je de opkomst van het Oosten af.”

Maar u trekt naar het westen.

„Yeah, go west young man.” Het goudbrokaat en de deftige stoelen lijken terug te deinzen, zo energiek en cowboyachtig klinkt dat ineens.

Terug naar Einstein Drive en het park waar zoveel befaamde wis- en natuurkundigen wandelden…

„Een historisch beladen plek. Toen ik in ’88 voor het eerst op het Institute kwam, klopte het hart me in de keel. Alsof ik naar een next level ging, zoals in een computergame. Help!”

Bang teruggestuurd te worden naar het vorige level?

„Nou.” Hij bedoelt: nee. „Meer: het gevoel weer helemaal opnieuw te beginnen. Er lopen daar geen studenten rond. Als postdoc, twee jaar later, was ik dus de jongste bediende.

„Er was wel een heel open sfeer. Edward Witten (de beroemde snaarfysicus, red.) vroeg meteen: wat zijn jouw ideeën? Waar werk je aan? Dat had in Nederland, op mijn promotor na (Nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft, red.), nog nooit iemand gevraagd.”

Wat zei u?

Grijnst. „Ik denk dat ik iets heel arrogants heb geantwoord.”

Het IAS is het Mekka van de theoretische natuurkunde en de wiskunde. Het in 1930 door twee filantropen opgerichte instituut verwierf status toen de uit Europa gevluchte natuur- en wiskundigen Albert Einstein, John van Neumann en Kurt Gödel er in de jaren dertig een nieuwe werkplek vonden. In de jaren vijftig vergrootte Robert Oppenheimer, ‘de vader van de atoombom’, die faam door trefzeker veelbelovende fysici en wiskundigen aan te trekken. Maar er werken ook historici, sociologen en economen.

Slechts 28 van hen zijn in vaste dienst – mensen van naam en faam. De andere tweehonderd wijden zich voor één of twee jaar in rust en afzondering aan de wetenschap. Met pen, papier en prullenmand. En, vooruit, een computer. Of nu en dan een tochtje naar Princeton University met labs en bibliotheken.

Een bos met herten maakt wandelingen mogelijk. En voor de dagelijkse gedachtewisselingen is er thee, tegenwoordig uit papieren bekertjes, maar al 80 jaar om drie uur stipt.

Maar het is geen doods museum, zegt Dijkgraaf. „Amerikanen kunnen historische plekken veel meer laten bruisen dan Europeanen. Ik weet nog dat ik langs ging bij Frank Wilczek, waarschijnlijk de meest casual Nobelprijswinnaar ooit. Hij woonde in Mercer Street, in Einsteins voormalige huis. Daar zaten we dan: met grote bekers cola en pizzapunten.”

Hij glundert.

Dus toen u gepolst werd, zei u meteen ja?

„Nee. Het leek me niks. En Pia (zijn vrouw, red.) ook niet. Ik was net aan mijn tweede termijn bij de KNAW begonnen. Ons gezin is hier geworteld. We hadden het prima voor elkaar.”

U moet in uw vierde jaar als KNAW-president toch wel eens gedacht hebben: ik wil wat anders?

„Jawel. Vooral tijdens vergaderingen. Bij Haagse steekspelletjes waarvan je niet weet wat ze opleveren. In de wetenschap probeer je steeds iets nieuws toe te voegen. Gaat het om creativiteit, je eigen ideeën. Bij politieke vergaderingen gaat het er vooral om te voorkomen dat er onverstandige dingen worden gedaan. Daar krijg ik weinig energie van.”

Is dat niet genoeg reden om een oriënterend etentje aan de Oostkust aan te nemen?

„Later in de zomer, toen we toch op Long Island waren, zijn we in New York met mensen van het IAS gaan eten. Daarna vroegen ze in Princeton: kom je kijken? Nee, dachten wij. Maar een trustee (beheerder van het fonds waaruit IAS wordt betaald) bood zijn privéjet aan en zo’n vlucht wilden we niet missen.” Lacht.

„De kinderen waren opgetogen toen ze de onbeperkte voorraad M&M’s aan boord ontdekten. En in Olden Farm (het zeventiende-eeuwse landhuis waar IAS-directeuren wonen, red.) verdeelden ze meteen de kamers.”

Toen werd het ‘ja’, zou je denken. Maar nee. In een NRC-column schreef Dijkgraaf dat een carrière geen sneltrein is waar je instapt en die dan door dendert, maar een boemeltreintje dat op allerlei stationnetjes stopt. Maar hoe weet je waar je moet overstappen, vroegen studenten hem geregeld. „En daar worstelde ik nu zelf mee.”

Hij won advies in. Bij oudere wijze collega’s. Nobelprijswinnaar David Gross, de veel gelauwerde wiskundige Sir Michael Atiyah. En hij zei ‘ja’ toen hij begreep dat hij deze baan voor een groot deel zelf mocht vormgeven. En naast bestuurswerk ook onderzoek mocht doen. En internationaal advieswerk, zoals deze zomer het klimaatadvies aan de Verenigde Naties. Dat hij mocht blijven optreden en schrijven over wetenschap.

Die combinatie past hem, zegt hij zelf. „Ik maak mijn wereld weer kleiner.” Geen gedoe meer met de politiek en de tactische spelletjes. „Dat is mijn huis niet. En als ik er mee door was gegaan, had ik de weg naar huis misschien niet meer gevonden.”

Wat vinden uw kinderen ervan?

„Ze verheugen zich erop. Nu ze groter worden (11, 13 en 15 jaar, red.), krijgen ze steeds meer hun eigen leven met eigen activiteiten. In Princeton zullen we in het begin weer op elkaar aangewezen zijn. Meer samen zijn, zoals vroeger. Ik vind het wel fijn om dat nog een keer mee te maken.”

En dan toch zo lang aarzelen over de stap…

„Ik ben plichtsgetrouw. Echt. Op het overdrevene af. Pia moet me afremmen. Ik was bang dat mensen me de beslissing zouden nadragen. Zouden zeggen: de kapitein verlaat als eerste het schip.”

Zinkt het schip dan?

„Nee.” Begint een lang antwoord over wetenschapsbeleid. Onderbreekt zichzelf. „Als je eerlijk bent… Kijk naar Duitsland waar tijdens de crisis veel geld in nieuw, excellent onderzoek is gestoken. Mensen als ik, die zich de laatste tien jaar in Nederland over wetenschapsbeleid druk gemaakt hebben, kunnen daar weinig tegenover zetten. Iedereen in Den Haag en erbuiten beaamt altijd dat investeringen in wetenschap belangrijk zijn. Maar in de praktijk worden andere dingen nóg belangrijker gevonden. Je kunt hooguit tegengas geven en, in deze economie, de schade beperken.”

Bekroop u het gevoel een mascotte van de wetenschap te worden – als het zo weinig opleverde?

Kijkt pijnlijk getroffen. „De Volkskrant noemde me eens troetelbèta. Dat komt nu boven.”

Was u boos?

„Nee. Het stuk was verder heel lovend.”

U wordt niet gauw boos?

„Nee. Er zijn dingen waar ik niet vrolijk van word, dat wel.”

Een zondagskind. Zo noemen journalisten hem het vaakst. Zijn jeugd klinkt zonnig in interviews. Slikkerveer. Vader op kantoor in de Rotterdamse havens. Moeder thuis, creatief. Hijzelf met vriendjes, buiten in de weilanden of op zolder. Vrijheid. Klooien. Knutselen. Spelen.

Op zijn zestiende ontdekte hij de wetenschap. „De resultaten ervan. Hoe wetenschap werkte, dat je onderzoeksgeld moest binnenhalen, conferenties bezoeken, daarvan had ik geen idee. Ik had een heel romantisch beeld. Als van een ver tropisch eiland. Ik dacht dat je de hele dag kon zitten nadenken.”

En: „Ik zag er meteen mijn leven in.”

Spelen in je hoofd?

„Ja. Ik voel heel diep hoe waardevol het is wat kinderen denken en doen. Met Cumrun Vafa uit Harvard (bekend snaarfysicus, red.) kan ik om de kleinste dingen plezier hebben. Jullie zijn kinderlijk, zeggen mijn kinderen dan. Dat vind ik een compliment.

„In de wetenschap sta je net als een kind aan het begin van een grote, onbekende wereld. ‘Speel-denk-herhaal’, zei Frank Wilczek toen hij zijn levensfilosofie in drie woorden moest samenvatten. De levenskracht van de mens zit in spelen. De tragiek van het leven is dat die pure houding en zuivere manier van denken eruit geperst worden.”

U werd een van de ‘jonge honden’ van de snaarfysica…

„In Utrecht, samen met Herman en Erik Verlinde. Toen de snaartheorie enorm spannend en veelbelovend was.”

In een taxi in Kopenhagen, tijdens een congres, raakte Dijkgraaf in gesprek met Nobelprijswinnaar David Gross, die hem als postdoc naar Princeton haalde. Zonder omhaal. „Toen ik ging promoveren belde hij me op. Kom je?”

Heeft u zelf wel eens zo spontaan mensen aangenomen?

Lacht. „Een jaar later vroeg Gross mij advies. Hij wilde een andere promovendus aanstellen. Mmm, zei ik, ik weet niet, hij heeft nog maar één of twee artikels geschreven. We doen het toch, zei Gross.” Met zelfspot: „Dat was een leermomentje. Later heb ik met die jongen nog een artikel gepubliceerd.”

Het was een Nederlandse reactie, zegt hij nu: ‘eerst maar eens zien’, zuinig. Amerikanen geven anderen gemakkelijker een kans. „Het is belangrijk dat anderen je een plek gunnen. Daar ben ik me van bewust. Zonder een handreiking van anderen kun je in je leven sommige cruciale stappen niet zetten.”

En nu gaat u naar een speeltuin met een miljoenenbudget.

„Dat is een luxe. Absoluut. Maar die wordt geboden onder voorwaarde dat uit dat spelen iets voortkomt.”

Hoogleraren in Princeton moeten succesvol zijn, bedoelt hij. In paradise there are no excuses, zei huidig IAS-directeur Peter Goddard daarover. Dijkgraaf: „Ik heb respect voor ze. Ze zijn zo goed als hun laatste artikel. En elk jaar komt er een nieuwe lading jonge onderzoekers die het ene na het andere briljante artikel schrijft. Zij zien dingen die alleen jonge mensen kunnen zien.”

Zelf wil hij 30 procent van zijn tijd met ze gaan meedoen; weer op zijn „droomeiland vertoeven”. Heerlijk.

Er komen broodjes. In rieten mandjes. Zwaar bestek in geruite hoesjes. Kannen met melk. Dijkgraaf heeft geen tijd om te eten. Zoveel vragen. Hij zegt er niks van. En lacht als hij hoort dat volgens Amerikaanse bloggers Princeton met hem een politicus binnenhaalt. „Eenoog.”

Het is anders, zegt hij. Hij is diplomatiek. „Ik begrijp waar mensen staan, wat hun ideeën zijn. En de kunst is te suggereren dat het goed is dat ze van daaruit gaan bewegen. Persoonlijke contacten helpen daarbij.”

Zo leidde hij ook de internationale commissie die deze zomer aan de Verenigde Naties advies uitbracht over de klimaatdiscussie. Dat het rapport van die commissie effect had en dat klimaatonderzoekers de kritiek erin overnamen, zegt hij, kwam doordat die kritiek diplomatiek verwoord was. Het bleef in Princeton niet onopgemerkt, vertelt hij ook.

Diplomatie telt: straks bent u tevens visitekaartje van het instituut?

„Nou.” Dit moet hij bijstellen, zo kijkt hij. „Ik ben straks de schakel tussen twee clubs: die van de 28 wetenschappers en die van de trustees, ongeveer evenveel mensen maar dan met privéjets.”

Twee van hen, de miljardairs Charles Simonyi en Jim Simons, schenken het IAS honderd miljoen dollar op voorwaarde dat Dijkgraaf in vijf jaar ook honderd miljoen binnenhaalt.

Lukt dat?

„Jawel. Zeker. Economisch zit het niet mee, maar er zijn ook mensen die daar minder onder lijden.”

Hij heeft er vertrouwen in. Als zijn directeurstermijn afloopt kan hij op het IAS blijven als hoogleraar. Hij gaat een goudgerande toekomst tegemoet.

Wat zou die jongen van zestien jaar die u was ervan zeggen?

Lacht. „Wat een collega mailde: DOEN!”