Kerstmis? Wát een verschrikking

Bij het maken van een nieuwe documentaire ontdekte Adriaan van Dis dat de woede en het verdriet van zijn ouders in hem zijn opgeslagen.

Kerst? Hou er alsjeblieft over op! Hij vindt het de verschrikkelijkste tijd van het jaar. Adriaan van Dis zal de Kerst ook dit jaar weer in Parijs doorbrengen. Alleen. Zo wil hij het. Uitgenodigd worden door vrienden is leuk en aardig, maar dan voelt hij zich meestal toch het vijfde wiel aan de wagen. „Kerstmis was bij ons thuis vroeger: ruzie, ruzie, ruzie. Mijn vader werd gek, de kerstboom ging in de fik. Om half negen lagen we allemaal in bed. Kerst, wát een verschrikking. Dat is voor veel mensen zo. Omdat ze veroordeeld worden tot dat vreselijke virus: familie. Dagenlang opgeprikt moeten opzitten tussen allerlei mensen die je niet kunt luchten of zien. Weerzinwekkend. Echt: Kerstmis… schaf het af! Kerstkaternen… in het vúúr ermee.”

Zo, die zit, stelt Van Dis tevreden vast. Verder heeft hij weinig reden tot klagen. Hij kan terugzien op een vruchtbaar jaar. Al was het wel het drukste jaar uit zijn bestaan. Hij schreef een boek over Parijs, Stadsliefde, en bracht in totaal vier maanden door in Indonesië voor een nieuwe VPRO-serie. Tussen de bedrijven door werd hij ook nog ziek. Van de ene op de andere dag werd hij onwel tijdens een verblijf in Brugge. Verwaarloosde blindedarm, die zich had omgevormd tot een goedaardig gezwel. ‘Ik vrees dat ik toch enige sneetjes zal moeten maken. En wel meteen’, constateerde de specialist monter. Want aan zoiets kun je zomaar doodgaan. En dat zou wel heel slecht in zijn drukke reisschema gepast hebben.

Van Dis herstelde, en ging alsnog samen met regisseur Hans Pool naar Indonesië. Sinds twee maanden is hij bijna elke dag aan het monteren. Acht afleveringen van Van Dis in Indonesië worden het, uit te zenden vanaf half maart 2012. Nooit gedacht dat die montage zo zwaar op hem zou drukken. Hij zit in die montagekamer niet alleen dag en nacht in Indonesië, maar ook volop in zijn eigen jeugd. „Elke keer beginnen we met een klein stukje uit mijn eigen geschiedenis. Een foto van mijn vader, of van de huwelijksreis van mijn moeder. Ik heb een stukje meegevaren langs de havens die mijn moeder samen met haar eerste, mooie, donkere echtgenoot aandeed. Dat woelt veel om.”

Hij had van tevoren enorm zijn best gedaan om zich het Bahasa Indonesia eigen te maken. Veel verder dan honderd zinnen is hij niet gekomen. „Een taal leren na je zestigste valt niet mee. Vraag maar aan dokter Swaab.” Hij sprak wel met een opvallend deftig Javaans accent, vond zijn lerares. Ging vanzelf. Hij deed alleen maar zijn vader na. „Althans: de stem die mijn vader in mijn geheugenradio heeft ingenomen.” Veel woorden herkende hij van vroeger, van thuis. Lang verborgen begrippen die hadden gesluimerd in zijn onderbewuste, en een halve eeuw later opeens een lade aan herinneringen opentrokken. „Kawat betekent draad. Kedek is de schutting van het kamp. Dat waren de woorden die wij thuis gebruikten. Ik ben in het kamp geweest waar mijn moeder en mijn zusjes hebben gezeten. Daar hoorde ik het woord dapoer, keuken. Opeens welden die oude liedjes op, over de kokki in de dapoer.’

Jankdocumentaire

De Indonesiëreis bleek bij nader inzien een beladen onderneming. „Al sta ik mijzelf niet toe om er een jankdocumentaire van te maken.” Gek, hij had al zoveel over Indië en over zijn eigen jeugd geschreven. Dat oude zeer zou nu toch wel geheeld moeten zijn. „Maar door het monteren – wat neerkomt op het eindeloos herhalen van scenes – merkte ik dat ik uitkwam bij een meer van verdriet. Om dingen die mij nooit eerder hadden geraakt. We laten beelden zien van Indische Nederlanders en Indonesiërs die in 1949 op de Dam staan te luisteren naar de Koningin. Die tekent de akte van overdracht en spreekt over de wonden die over en weer geslagen zijn. Beide volkeren zullen, zegt ze, altijd zij aan zij blijven staan. De ontroering die dat bij die toehoorders oproept raakt me enorm. Juist omdat ik weet hoe ze vervolgens door Nederland besodemieterd zijn.

„Ik ben ook bij de Pekanbaru-spoorlijn op Sumatra geweest, waar mijn vader aan heeft gewerkt. Ergens in de rimboe staat nog een locomotief. Ik heb er een stukje roest afgekrabd. Want misschien heeft hij ’m wel op de rails helpen tillen. Dat bezoek deed me weinig. Maar toen ik daarna in het kamp van mijn moeder kwam, brak ik. Mijn vader stierf toen ik tien was. Dat heb ik op mijn leeftijd inmiddels wel een plaats gegeven.

„Mijn moeder is pas vorig jaar gestorven, bijna honderd jaar oud. Ik had een ingewikkelde relatie met haar, en kan niet zeggen dat ik diep bedroefd was toen ze doodging. Maar tijdens deze reis was ik enorm met haar bezig. Op de plek van dat kamp staat nu een school. Daar spelen kinderen, ook meisjes. En ik zág mijn zusjes. Mijn moeder en mijn zussen liepen met mij op.

„Ik heb twee kiezelsteentjes losgepeuterd uit het fundament van de kampkeuken. Onder het mom: je houdt een steen in je hand en hij brengt je naar een ander land. Ik heb ontdekt dat de woede en het verdriet van mijn ouders ook in mij zijn opgeslagen. Dat soort dingen pik je op als kind, ook al begrijp je er op dat moment niks van. En jaren later komt dat allemaal los. Dat vond ik een opmerkelijke ontdekking. Ik ben meer van mijn ouders gaan houden. Want ik had lang grote moeite om van ze te houden. Dat is veranderd. Ik ben ze beter gaan begrijpen. In die zin heeft deze reis veel voor me betekend.”

De trip was ook in andere opzichten vele malen zwaarder dan de reis door Zuid-Afrika, waarover hij drie jaar geleden de Nipkowschijf-winnende tv-serie Van Dis in Afrika maakte. Het bleek moeilijker om met mensen vertrouwd te raken. „In Afrika had ik veel meer plezier met mensen. We hebben vijf keer meegemaakt dat interviewpartners op het laatste moment de afspraak afzegden, uit angst voor represailles van overheidswege. Onze eerste researcher werd geïntimideerd. En het was fysiek zwaar. Na negen uur reizen belandden we soms in een hut met maar één bed. Dan riep ik: ‘Hans Pool moet in dat bed, want die moet elke dag een camera tillen van 25 kilo.’ Sliep ik zelf op de grond. Niet uit nederigheid, maar uit pure berekening. Want als ik de volgende dag met een cameraman werk die vergaat van de pijn in zijn rug, zie ik eruit als een aap. Een staaltje van egoïstisch altruïsme.”

„Ik had gehoopt dat mensen in Indonesië meer zouden weten over 350 jaar Nederlandse aanwezigheid in hun land. Dat was niet het geval. Indonesiërs geven sowieso weinig om hun geschiedenis. Beter gezegd: geen moer. Mythologie en nationalistische verzinsels slaan beter aan. Het is pijnlijk om te zeggen, maar het intellectuele niveau van academici viel me bitter tegen. Maar misschien sprak ik de verkeerde. Boven de tachtig kwam je mensen tegen die enorm veel wisten, daaronder vrijwel niet. Dan zal je zeggen: ‘Ja, die hebben nog Nederlands onderwijs gehad.’ Het leek er vooral op dat de intellectuelen die nog onder Nederland gevormd zijn, weinig zin hadden om hun kennis te delen met volgende generaties. Onder Soeharto was het onderwijs slecht. Veel mensen hebben daardoor flinke leemten in hun kennis. Soms is het een rare psychologische kwestie. We zijn met een zoon en een dochter van Soeharto op reis geweest. Zij wisten bijna niks over hem te vertellen. Ik bleek veel meer over hun vader te weten dan zij zelf. Want ik had allerlei boeken over hem gelezen die zij niet kenden. Later dacht ik: wat een onzinnige gedachte eigenlijk dat een kind zijn ouders zou moeten kennen. Kinderen van beroemde ouders wenden zich juist eerder van hun ouders af.”

Na Van Dis in Indonesië komt er voorlopig geen nieuw tv-project. Heel misschien zal hij zich ooit nog op Israël storten, „een ingewikkeld land waar ik verscheurde meningen en gevoelens over heb”. Maar eerst moet er weer duchtig geschreven worden, vindt hij. Om te beginnen een boek over Indonesië, „om m’n moeders tijd beter te leren begrijpen”. Daarna nog „zeker drie tot vier boeken”. En ja zeg, dan is-ie al zeventig. „Maar misschien is Israël wel zeer rollator-vriendelijk.”

Want dat kwam er ook nog bij dit jaar: op 16 december werd Van Dis 65. Hij vindt het zelf geen mijlpaal, geen reden om weemoedig over zijn schouder te kijken. Daar heeft hij dat ronde jaartal ook niet voor nodig. Hij is van nature een herinneraar. „Ik kan mijn ogen dichtdoen en zo alle namen van de middenstand in Bergen aan Zee (waar hij opgroeide, red.) opnoemen. Van de Beethovenstraat, waar ik als student lang heb gewoond, kan ik me tientallen bewoners nog voor de geest halen. Al zijn dat sterk gekleurde herinneringen; ik maak er verhalen van.”

Hormonen

Ouder worden heeft voordelen, vindt hij. „Ik laat mij minder op hol jagen door hormonen en instincten. Er is iets meer rust gekomen. Niet dat ik mezelf vroeger zo geweldig vond. Ik was verschrikkelijk onzeker over mezelf. Dat is nog steeds niet over.” Zijn televisieroem had daar nauwelijks een helend effect op. „Ik heb altijd schaamte gevoeld als ik op tv was. Nog steeds. Als ik bij De Wereld Draait Door of Pauw & Witteman ben geweest, denk ik altijd: ‘Wat heb ik me weer als een idioot aangesteld.’”

Hij is zichzelf met de jaren wel beter gaan begrijpen. Dat komt vooral omdat hij tien jaar geleden besloot om in analyse te gaan. Die analyse is veruit het beste wat hem in zijn leven overkomen is. „Ik heb allerlei boomstammen uit de rivier gehaald, waardoor het water makkelijker kon doorstromen. Frustraties, verwondingen en angsten die mij jarenlang dwarsgezeten hebben.

„Ik heb nog steeds veel angsten. Ik droom geregeld dat ik in de gevangenis zit omdat ik iemand vermoord heb. Die angsten raak je niet echt kwijt, maar je leert er beter mee omgaan. Ik laat me minder snel kwetsen door wat anderen van me vinden. In zo’n heel kleine stad als Amsterdam is er een kongsi die elkaar indeelt en beoordeelt. Daar doe ik zelf ook volop aan mee. Tegelijk ervaar ik dat rubricerende als zeer benauwend. Daarom ben ik zo graag in Parijs. Daar ben ik namelijk niemand. Ik ben in Frankrijk ook een paar keer op tv geweest, maar dan wel om half twee ’s nachts. Want in Frankrijk zenden ze cultuur ook graag pas ver na middernacht uit.

„Als je ouder wordt, komt er meer nonchalance over je. Het lukt me steeds beter om te denken: ‘Het kan me geen donder schelen wat ze van me vinden.’ Ik voel me minder verplicht om alle post netjes te beantwoorden. Het lukt me tegenwoordig steeds vaker om bij die stapel brieven te denken: ‘Kan mij het schelen, ik schrijf jullie mooi niet terug.’ Om vrij te zijn, moet je soms onaardig zijn. Die nonchalante houding houd ik makkelijk een tijdje vol. Zeker wel een paar minuten. En dan ga ik toch maar weer braaf aan mijn bureau zitten om een vriendelijk briefje terug te schrijven.”