Ik gaf een diamant die nooit meer is gepoetst

Arie Selinger stond aan de basis van het volleybalgoud in Atlanta ’96. In Israël praat hij nu over het Bankrasmodel, het ontslag van zijn zoon Avital en zijn verblijf in Bergen-Belsen. „Ik voelde me daar verantwoordelijk voor mijn moeder.”

H oe gaat het toch met Arie Selinger? „Goed, dank u”, antwoordt de vermaarde volleybalcoach terwijl hij in zijn sierlijke Lexus-sportwagen door de avondspits van Tel Aviv laveert. De bestemming is een restaurant in het noordelijke stadsdeel met uitzicht op zee, waar hij even later een goed gesprek met een visgerecht combineert.

Selinger ziet er patent uit; de gevorderde leeftijd van 74 jaar is hem niet aan te zien. Hij laat zich gelden als een energieke baas. Alsof hij nog een glanzende toekomst voor zich heeft. De werkelijkheid is dat Selinger een ingrijpend, inspirerend en intensief leven achter de rug heeft. Maar stilzitten? „Geen denken aan.”

Zijn terugkeer naar Israël, het land waar hij is opgegroeid, bewijst dat Selinger zich de ouderdom laat welgevallen. Als volleybalcoach heeft hij niets te zoeken in het ‘land van melk en honing’. De man achter grote Amerikaanse, Nederlandse en Japanse volleybalsuccessen is weliswaar bondscoach van het nationale vrouwenteam, dat moet worden gezien als een vriendendienst. Streng in zijn beoordeling: „Er is in Israël te weinig talent. Deelname aan het EK is het hoogst haalbare.” Kan de perfectionist Selinger daarmee omgaan? Met ironische ondertoon: „Ik huil ook elke dag.”

Selinger beëindigde zijn persoonlijke diaspora om bij zijn familie te kunnen zijn, bij zijn halfbroer, zijn twee dochters, zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen. En in vergelijking met Japan, waar hij zeventien jaar als coach werkte, op relatief korte afstand van Nederland, de thuisbasis van Avital, zijn enige zoon.

Toeval? Aan tafel krijgt Selinger een telefoontje van Avital, die vertelt dat Arie’s Nederlandse kleinzoon is aangenomen als piloot bij de gerenommeerde Hongkongse luchtvaartmaatschappij Cathay Pacific. Waarna de grondlegger van de gouden olympische medaille voor de Nederlandse volleybalmannen met ambivalente gevoelens het restaurant verlaat. Apetrots op zijn kleinzoon, maar nog steeds verongelijkt over het recente ontslag van zijn oogappel Avital als coach van het Nederlandse vrouwenvolleybalteam.

Hoe boos bent u over het ontslag van uw zoon Avital?

„In mijn tijd als bondscoach heb ik ervaren dat er in Nederland een boven- en ondergrondse werkelijkheid is. Dat voel ik nu weer. Zijn ontslag is niet logisch. Coaches gaan en komen, dat is normaal. En acht jaar bij één team is lang. Maar de timing van Avitals ontslag klopte niet. Waarom zo kort voor het pre-olympisch kwalificatietoernooi in Kroatië? Hij was aangesteld om Nederland naar de Olympische Spelen te brengen. En die kans bestond nog steeds. Waarom zou een andere coach het beter doen? Ik kan niet beoordelen wat er achter zit. Of het moet een persoonlijke vendetta zijn.”

Vendetta? Van wie?

„Geen idee. Maar het was niet de tijd voor vertrek. Bert Goedkoop [technisch directeur van de volleybalbond Nevobo] zegde Avital zijn ontslag aan en een uur later had hij zichzelf aangesteld als bondscoach. Dat is nooit eerder vertoond. Ik begrijp het niet, echt ongelooflijk. Er moet iets kwaadaardigs achter zitten, want het was een zinloos besluit. Het was belachelijk van Bert om te denken dat hij het team wel beter zou kunnen later presteren. Waarom stak hij zijn nek uit? Waarom? Er zit meer achter, dat kan niet anders.”

Is de speelsters iets te verwijten?

„Ja, dat zij zich niet tegen het ontslag van hun coach hebben verzet, zoals ze dat wel hebben gedaan in 2008 toen de volleybalbond Avitals contract niet wilde verlengen. Waarom niet gezegd: laten we nog één keer alles op alles zetten. Dat had het team zelfs sterker kunnen maken. Ik ben daar erg verbaasd over. Misschien waren zij verontwaardigd en hadden ze geen reden meer om te winnen. Dat zou een verklaring kunnen zijn. Je kunt wel duizend redenen vinden om te verliezen, maar het is moeilijk één reden te vinden om te winnen.”

Doet Avitals ontslag u ook pijn?

„Weet je wat me vooral stoort? Dat Avital twee jaar geleden bondscoach van Rusland kon worden en die aanbieding heeft afgewezen, omdat hij zich aan het Nederlands vrouwenteam had gecommitteerd. Zijn hart lag bij dat team. En hij volgde zijn hart, ook al kon hij in Rusland een veelvoud van zijn salaris in Nederland verdienen. Misschien heeft hij de Nederlandse internationals te veel vertrouwd. Maar zo is Avital: een man een man, een woord een woord. Misschien moet hij dergelijke zaken in het vervolg rationeel en minder emotioneel benaderen.”

Weet u wat hij gaat doen?

„Nee. Misschien wordt hij alsnog coach van Rusland, want zo goed gaat het met die ploeg niet. Maar hij vertrekt zeker naar het buitenland. Wat heeft hij in Nederland nog te zoeken? Hooguit de nationale mannenploeg. Die zou hij uit het moeras kunnen trekken. Als de bond slim is geven ze Avital het mannenteam.”

En het door u bedachte Bankrasmodel dan opnieuw invoeren?

„Waarom niet? Dat concept heeft ten onrecht een slechte naam in Nederland. Maar het is heel simpel: om bij de top te komen heb je of een sterke competitie of een sterk centraal programma nodig. Nederland heeft nu geen van beide. En dan wordt het snel minder. We begonnen in 1986 voor de mannen met een centraal programma in de Bankrashal in Amstelveen. Toen in 1992 van dat concept afstand werd genomen, heb ik de terugval voorspeld. Voor de televisie heb ik destijds gezegd: ‘Dit is het begin van het einde’. Omdat de doorstroming stagneerde. De zilveren medaille op de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona en de gouden medaille, vier jaar later in Atlanta, waren het resultaat van het Bankrasmodel. Maar als de machine niet werkt valt de continuïteit weg.”

Hoe verklaart u de weerstand tegen het Bankrasmodel?

„De oppositie kwam vooral van de clubs. Ik heb dat nooit begrepen. Maar me er ook nooit in verdiept. Dat was mijn taak niet. Ik was gehaald om Nederland naar de wereldtop te brengen. En dat heb ik gedaan. Ik heb de bond een diamant gegeven die vervolgens nooit meer is gepoetst. Ik neem dat niemand kwalijk. Zo gaat dat nu eenmaal. Maar denk dan niet dat je aan de top kunt blijven. Het duurt tien jaar om een topteam op te bouwen. En het kan in Nederland, want het er is ongehoord veel talent. Als volleyballand is Nederland nu een slapende reus.”

In ’89 stapte u uit het Bankrasmodel om naar Japan te gaan. Deelt u het verwijt dat u verraad pleegde?

„Ik had persoonlijke redenen voor mijn vertrek.”

Arie Selinger wenst over dit onderwerp niet geciteerd te worden, maar zijn uitleg komt erop neer dat hij geen keus wilde maken tussen Peter Blangé en zijn zoon Avital als spelverdeler van het team. Hij zou volgens hem dan in een onmogelijk situatie terecht zijn gekomen. In Selingers beleving was zijn vertrek een ingrijpend besluit, omdat hij een potentiële olympische en wereldkampioen verliet. Tijdens de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona keerde Selinger door het ontslag van zijn opvolger Harry Brokking tijdelijk terug als coach van Nederland. Blangé was toen de eerste spelverdeler, met Avital als zijn stand-in. In de kwartfinale tegen Italië raakte Blangé geblesseerd en zou Avital tot en met de verloren finale tegen Brazilië spelen.

Beleefde u bij de Spelen in Barcelona uw hoogtepunt als coach?

„Zonder enige twijfel. Weinig vaders krijgen de kans met hun zoon op de Olympische Spelen actief te zijn en ook nog een medaille te winnen. Het was zeer emotioneel. Dat we de finale verloren was terecht, want Brazilië was beter. Maar de gouden medaille van vier jaar later ervoer ik ook als een deel van mijn werk.”

Maar in die ploeg ontbrak Avital. Neemt u dat de toenmalige coach Joop Alberda nog steeds kwalijk?

„Ja, want het voelt alsof een andere speler zijn gouden medaille heeft ingepikt. Dat Alberda niet voor Avital heeft gekozen is zijn goed recht, maar de manier waarop hij hem aan de kant heeft geschoven was respectloos. Hij had hem moeten selecteren en de strijd met nieuwe spelers moeten laten aangaan. Die kans is Avital ontnomen. Hij is als oud vuil weggezet. Hij had Avital de eerbied moeten geven die hij verdiende en hem moeten beoordelen op zijn kwaliteiten.”

Is uw sterke band met Avital te verklaren door het vroege afscheid van uw vader?

„Dat zou kunnen. Maar het zit ook in ons DNA. Avital is in alles mijn kopie. Dat schept een intense band.”

Het verhaal gaat dat uw vader uw leven heeft gered door u tijdens de Tweede Wereldoorlog over een muur te gooien. Is dat waar?

„Ja, met dien verstande dat het geen muur maar een hek was. Samen met mijn moeder was ik in 1942 als vijfjarige jongen het getto van mijn geboortestad Krakau in Polen ontvlucht. Hoewel we een Duits paspoort hadden ‘gekocht’ herkende een jongen in de trein ons als Joden. Zodra de trein stilhield moest ik van mijn moeder de wagon verlaten en zo’n zeven kilometer verderop naar het huis van mijn opa lopen. Ze had me de route uitgelegd. Ik verschool me eerst achter de struiken, waarna ik zag dat mijn moeder werd weggevoerd. ’s Avonds dook ze weer op bij mijn opa. Ze had de politie omgekocht met diamanten die ze altijd in de naad van jurk verborg. Dat kon ze doen, omdat onze familie rijk was. Later kwam mijn vader die – ik weet nog steeds niet om welke reden – me optilde en zei: ‘Je moet vertrekken.’ Hij nam me mee, gooide me over een hek waarachter mijn oom me opving. Dat was de laatste keer dat ik mijn vader heb gezien.”

Kent u zijn lot?

„Nee, nog steeds niet. Volgens mijn moeder is hij vermoord in het concentratiekamp Auschwitz, maar mijn oom vertelde dat hij was doodgeschoten op een station. In 1987 ben ik teruggekeerd naar Polen om de sporen van mijn vader na te gaan. Van dat station kon ik niets vinden, wel in Auschwitz, waar Chaim Selinger – zo heette mijn vader – in de keuken werkte. In december 1944 is hij verdwenen. Het is onbekend waarheen. Hij zou in Auschwitz geëxecuteerd kunnen zijn, maar daarover is niets te vinden. Hij zou ook meegenomen kunnen zijn door het Russische leger en in Siberië zijn gestorven. Niemand die het weet. Ik ben nog steeds zeer intensief naar hem op zoek, maar vooralsnog zonder resultaat.”

U verbleef 22 maanden met uw moeder in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Hoe heeft u dat overleefd?

„Ik was doorlopend bezig. Ik voelde me verantwoordelijk voor mijn moeder die een zwakke gezondheid had. Ik zorgde dat er eten en sigaretten waren. Ik was misschien in gevaar, maar ik heb nooit gedacht dat ik daar zou sterven. En de fysieke straffen kon ik weerstaan. Nadat de Britten Bergen-Belsen in 1945 hadden bevrijd, werden de gevangenen in drie treinen weggevoerd. De onze raakte stuk en kwam vlakbij de rivier de Elbe tot stilstand. Nadat mijn moeder iemand had horen zeggen dat reparatie onmogelijk was en alle inzittenden maar bij de rivier van kant gemaakt moesten worden, zijn we de trein ontvlucht. We hebben ons meer dan een dag schuilgehouden in een moeras en zijn uiteindelijk gevonden door Amerikaanse militairen. Mijn moeder heeft me naar Israël gestuurd, omdat zij op zoek ging naar mijn vader. Na een lange reis via Parijs, Marseille en Genua arriveerde ik op 16 juli 1945 per boot in Haifa.”

In Israël kon uw nieuwe leven beginnen?

„Ja, maar zo gemakkelijk is dat niet gegaan. Bij aankomst in Haifa kwam niemand dat ventje van acht halen. Ze stuurden me naar een religieuze kibboets in het Karmel-gebergte. En daar was iemand die een zus van mijn moeder kende. Die heeft me opgehaald, maar zij kon mij niet verzorgen. Mede op advies van een arts – ik was ernstig verzwakt – stuurde ze me naar haar neef en diens vrouw in kibboets Ein Hamifratz boven Haifa. Door die familie ben ik grootgebracht. Zij hebben heel goed voor me gezorgd. Dat was het beste wat me ooit is overkomen. Niet veel later is mijn moeder met haar tweede man in Haifa gaan wonen. Maar ik ben nooit bij haar ingetrokken. Ik wilde onder geen beding weg uit Ein Hamifratz.”

U heeft zich uw hele leven zelf moeten redden?

„Ja, eigenlijk wel.”

Verklaart dat uw succes als volleybalcoach?

„Ik weet het niet. Nooit over nagedacht ook. Maar als de zaken niet gaan zoals ik graag wil, zoek ik een andere manier om het toch voor elkaar te krijgen. Dat is wel zo. Ik wil ook altijd de beste zijn, dat zit in mijn natuur. En ik blijf me zelf ontwikkelen. Nog steeds. Wie kopieert blijft altijd nummer twee.”

    • Henk Stouwdam