Iedereen was mijn vriend

Zakenvrouw van het jaar Angelique Paulissen streek in de dealingroom flinke bonussen op. Als adviseur neemt ze nu banken de maat. ‘Bankiers weten niet meer wat normaal is.’

Een glazen kantoor aan de Avenue Céramique in Maastricht. Angelique Paulissen legt een notitieblok met ruitjespapier en haar BlackBerry op tafel. Daarnaast zet ze een glas water neer.

Uw secretaresse was niet heel toeschietelijk toen ik een afspraak met u wilde maken.

„Weet ik.”

U vindt het vervelend, een interview?

„Ik ben niet gewend op de voorgrond te treden.”

Wat kan er misgaan?

„Limburgse blondine ontrafelt Lehman. Het stond boven een verhaal over mij in De Pers. We zijn hier wel professionals, hè. We hebben te maken met vertrouwelijkheid.”

Lehman Brothers boos? Of wat daarvan over is?

„Nee, hoor. Het zit meer in mezelf. Ik praat liever niet in detail over klanten. Maar ik kan er bijna niet omheen als ik wil uitleggen wat we doen.”

Op de website staan uw klanten genoemd. Havenbedrijven, ziekenhuizen, woningbouwcorporaties, pretparken, voetbalclubs…

„Omdat het algemeen bekende informatie is.”

Angelique Paulissen is MKB-zakenvrouw van het jaar 2011. Ze is een van de drie eigenaars van Montesquieu in Maastricht, een adviesbureau voor financiering en risicobeheer. Voorheen werkte ze in de dealingrooms van ABP en ABN Amro.

Ze is geboren in Kerkrade, in 1972. Daar woont ze nog steeds, om de hoek bij haar ouders, met haar man en honden. „Ik ben een familievrouw. Ik hou van een vertrouwde omgeving.” Al is Kerkrade wel in hoog tempo aan het veranderen. „Overal oude mensen, winkels die leeg staan.” Het probleem is, zegt ze, dat er zoveel grote ondernemingen uit Limburg zijn vertrokken. De afdeling van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, waar ze haar eerste baan had – weg. De afdeling van ABN Amro waar ze daarna gewerkt heeft – gecentraliseerd en opgeheven. De afdeling vermogensbeheer van pensioenfonds AZL, waar ze ook heeft gewerkt – overgenomen en opgeheven. „En wij maar proberen hier de werkgelegenheid nog een beetje op peil te houden.” Ze lacht.

Waarom lacht u nu?

„Nou ja, we doen wel grote dingen, maar we zijn een klein bureau. Vijftien mensen hier, tien mensen aan de andere kant van de gang. Het weegt niet op tegen Vesteda dat nu ook met honderd, honderdvijftig mensen vertrekt.”

Het maakt u ongelukkig?

„Ja. Als je bij mij de straat uit loopt, zie je het ene na het andere huis te koop staan. Te koop, te koop, te koop. Het wordt hier een spookstreek.”

En dan?

„Dan ga ik ook weg.” Ze heeft haar stoel naar achteren geschoven en zit voorover, handen tussen de knieën.

Wat gaat er dan voor u verloren?

Ze is lang stil. „Ik speel in een harmonieorkest, trombone. We moesten fuseren met een ander harmonieorkest, omdat er niet genoeg mensen meer waren. Is dat erg? Nee. Maar ik word er bang van. Twee jaar geleden hebben we ons huis verbouwd met het idee: hier worden we oud. Sinds een half jaar…” Ze valt weer stil.

Sinds een half jaar?

„Ik woon in een gemengde wijk met veel sociale woningbouw. Jij denkt misschien: wat doet de zakenvrouw van het jaar tussen de sociale woningbouw, maar daar woon ik dus. Hoe veel vaker ik de laatste tijd niet de sirenes van de politie hoor. Hoe veel vaker ik geen criminele dingen zie gebeuren.”

Haar vader was elektricien, haar moeder verkoopster bij C&A. Als kind wilde ze straaljagerpiloot worden. „U denkt misschien: dat is ook contrair, piloot, spanning, snelheid – ik hou ook erg van snelle auto’s – en dan toch die hang naar een vertrouwdheid. Maar dat is mijn aard. Bij de keuring was ik het enige meisje in een groep van tachtig mannen. ’s Avonds werd ik opgesloten in een kazerne, alleen, voor mijn eigen veiligheid. De volgende dag had ik het eigenlijk al gezien.”

Ze kwam van het gymnasium, bèta met Grieks. „Toen ben ik maar naar de Technische Hochschule in Aken gegaan. Dat was in 1990. Studeren was daar bijna gratis, vijftig gulden collegegeld. Ik had een gifgroene Ford Fiesta, daarmee reed ik op en neer. Ik koos scheikunde, dan kon ik wat doen met mijn handen. Ik stond twintig uur per week in het lab. En toen kreeg ik huiduitslag. Het is nooit meer overgegaan. De Hochschule Arzt zei: allergie. Later ben ik nog eens naar de huidarts gegaan en die zei: acné. Toen ben ik economie gaan studeren in Maastricht. Ik verkocht mijn auto, aan de man met wie ik later zou trouwen. Hij zat bij mij in het harmonieorkest.”

Haar man is fiscalist. Twee jaar geleden is hij weer gaan studeren, geschiedenis, in Leuven. Nu is hij aan het promoveren. „Hij doet onderzoek naar de belastingheffing in het Egyptisch-Romeinse Rijk, of zoiets.”

Waarom koos u economie?

„Dan kon ik alle kanten op. Ik vond er niets aan. Ik dacht: hoe haal ik zo snel mogelijk mijn master. Het niveau op de Hochschule was wezenlijk anders dan bij economie. Ik heb respect voor mensen die aan een technische universiteit afstuderen.”

Ze haalt een nieuw glas water en als ze terug is, zegt ze: „Je had zeker een strak in het pak zittende dame verwacht, hè?” Ze draagt een spijkerbroek en een rommelige trui. Bronskleurige pumps. Ze loopt erop alsof het bergschoenen zijn. „Ik kom uit de krijtstreepwereld, maar als het even niet hoeft…”

Waar zijn die krijtstrepen voor nodig?

„Dat heb ik me ook altijd afgevraagd. Om professionaliteit uit te stralen?”

Of is het intimidatie?

„Ja. Ja. Dat is het. Zal ik u daar wat over vertellen? Ik ging bij ABN Amro werken en het eerste wat je leerde was: wij zijn de beste. ING? Rabobank? Allemaal niks. Extreem was dat. En iedereen was alleen maar met zichzelf bezig. Zit jij al in schaal x? Hoe is het met jullie bonus?”

U was begonnen bij het ABP.

„Achteraf de hemel. Ik kwam op de treasury-afdeling, net toen de derivaten in ontwikkeling kwamen. Het was één grote speeltuin.” Derivaten – opties, futures, swaps, forwards – ontlenen hun waarde aan aandelen, hypotheken, olie, enzovoort. Ze worden gebruikt om risico’s te spreiden en om te speculeren. „We waren met z’n drieën en we handelden in alles wat maar door de directie was toegestaan. Je werkte met getallen waar je geen gevoel meer bij had. Zes miljard omzet op een dag. Als we wilden, konden we de beurs op zijn kop zetten.”

Nu zit ze weer rechtop. „Ik was 22, 23 en iedereen was m’n vriend, want Angelique zat in de handel. Zij had wat te verdelen. Ik ben in die tijd tien kilo aangekomen. We deden zaken met banken en brokers, en het was gebruikelijk om samen een hapje te eten.”

Wat fascineerde u zo aan derivaten?

„Het pionieren, het zoeken naar nieuwe mogelijkheden. Er was altijd veel uit te leggen aan de directie, die er niets van begreep. Mij lukte dat. Ik kon dat. En als ze het dan ongeveer begrepen hadden, mochten we het doen.”

Door de doorgeslagen derivatenhandel brak in 2008 de kredietcrisis uit.

„Omdat er geen controle was op mensen zoals wij. Bij het ABP ook niet. Wij dachten echt wel na over wat we deden. Maar er was geen risicomanagement. Als je greep wilt houden op de slimmeriken, moet je er net zulke slimmeriken naast zetten. Nu gebeurt dat, toen niet.”

Ze ging weg bij het ABP omdat ze niet mee naar Amsterdam wilde verhuizen. Ze was meteen haar netwerk kwijt. „Ook de mensen van wie ik dacht dat het mijn vrienden waren geworden.”

Verbaast u dat?

„Niet meer. Nu weet ik dat het een wereld van façades is.”

Bij ABN Amro kreeg ze een culture shock. „Ik was te wild, te anders. Ik speelde trombone als het carnaval was. Not done. Ik belde klanten op die alleen door de hoofddirectie mochten worden gebeld, omdat ze voor mij te groot waren. Moest ik me weer komen melden.”

Ze verbaasde zich over de landje-pikcultuur. „Dan werden er drie units samengevoegd en moesten de klanten verdeeld worden. Brak er een enorm gevecht uit om de klanten die de grootste marges opleverden, want die zorgden voor de bonus. Op een gegeven moment was ik het zo zat dat ik zei: jullie mogen al mijn klanten hebben, ik ga wel nieuwe halen. Binnen een jaar had ik een portefeuille vol. Toen kreeg ik opeens respect. Opeens mocht ik kiezen wat ik wilde. Want zo is het wel bij zo’n grote bank: als je eager bent, kan er veel. Dus ging Angelique naar Amsterdam om de balansen van Brazilië, Noord-Amerika en Europa in elkaar te schuiven. En daar zou ik dan op promoveren. Maar toen gebeurde er hetzelfde als in de kazerne. Ik zat in Amsterdam in de dealingroom en ik dacht: nee.”

U zegt het verontschuldigend.

„Het was ook wel helemaal mal, hè, om zo’n topfunctie op te geven. Ik verdiende heel veel geld. De helft van mijn salaris bestond uit bonussen. Ik ging naar AZL en mijn basissalaris daar was een fractie van mijn bonus bij ABN Amro.” AZL adviseert pensioenfondsen over hun beleggingen.

Ze zegt liever niet hoeveel ze bij ABN Amro verdiende. Wel in wat voor auto ze reed. „Een Audi TT. En een MG T, maar die heb ik opgeblazen. Twee dagen per week zat ik in een hotel en verder reed ik heen en weer tussen Amsterdam en Kerkrade. Ik heb het over 2001, het jaar van de Twin Towers.”

Wat haar ook verbaasde bij ABN Amro: hoe goed het voor klanten verborgen werd gehouden welke marge ze betaalden. „In mijn laatste jaar daar zei ik het gewoon: jullie zeggen dat jullie een langetermijnrelatie met klanten willen opbouwen, maar in de praktijk zijn jullie er alleen maar op uit om op de korte termijn zoveel mogelijk aan ze te verdienen. De marges werden zo verschmerzt dat niemand ze zag. En dan heb ik het over miljoenen. De bonussen waren erop gebaseerd, dus iedereen deed eraan mee. Ons werd ingeprent: het gaat om de bonussen.”

Hoe gaat dat, miljoenen verstoppen?

„Zal ik het laten zien?” Ze springt op en pakt een brochure die ze ook voor de klanten van Montesquieu gebruikt. In de brochure staat een contract voor een lening van honderd miljoen euro, met een rente van 2,68 procent en een afgesproken marge van 0,1 procent. „Nu verander ik de betaling per jaar in betaling per maand en kijk: een paar ton winst. Ik verander de rentelooptijd van zes maanden naar een maand en kijk: een paar miljoen winst. Niet zo moeilijk, hè?”

In de gang staan de plaquettes ter herinnering aan succesvolle deals. Financiering voor het AMC in Amsterdam: 635.000.000 euro. Voor de verzelfstandiging van Zeeland Seaports: 450.000.000 euro. „Bedragen waarbij een honderdste procentpunt verschil echt veel uitmaakt.”

Hoe vonden ze het bij ABN Amro dat u uw kennis tegen hen ging gebruiken?

„Ze stelden het niet op prijs. We kregen ze op bezoek, hoor, toen we net begonnen waren. Niet alleen de mannen van ABN Amro, ook van andere banken. Ze zeiden dat wij hen kapot maakten.”

En dan zei u?

„Dat een bank moet verdienen, natuurlijk. Maar wij beoordelen of het redelijk is. Banken verdienen zich rot en keren de extra winsten uit als bonussen. Als het misgaat, kan de overheid bijspringen. Bankiers weten niet meer wat normaal is. Vindt u het normaal dat ik met één telefoontje drie miljoen voor mijn klant kan verdienen? En dan vinden bankiers het nog raar ook dat ik ertussen spring. Angelique, zo verdien ik die drie miljoen niet. Oh, wat erg. Drie miljoen, en wat doe je ervoor? Een bankier mag verdienen, maar wel eerlijk.”

Waar verdient u uw geld mee?

„We spreken van tevoren af of we op uurbasis werken of op een fixed feebasis.”

In wat voor auto rijdt u nu?

„Een BMW 3. Maar ik moet niet liegen, ik heb mijn Aston Martin net verkocht. Dat was mijn droom. Zo’n James Bondwagen. Als het dan een keer kan… Ik heb geen dure hobby’s verder. Twee jaar geleden kocht ik hem, een tweedehands beestje. Een teleurstelling. Stroef, stug. Nu heb ik dus die BMW. Deutsche Gründlichkeit, zonder stoelverwarming.”

    • Jannetje Koelewijn