Huurwoningen moeten verkocht

Woningcorporaties moeten driekwart van hun woningen te koop aanbieden. Dat heeft de ministerraad gisteren besloten op voorstel van minister Liesbeth Spies (Binnenlandse Zaken, CDA). Het gaat om zo’n 1,8 miljoen woningen. Huurders moeten hun woning tegen „een redelijke prijs” kunnen kopen, vindt het kabinet. Die prijs is ongeveer 90 procent van de woz-waarde. Onder meer meer ouderen- en studentenhuisvesting valt buiten de verplichting.

Het kabinet wil met de maatregel het eigenwoningbezit stimuleren. „Het is onvoorstelbaar belangrijk dat huurders die graag willen kopen, dat ook kunnen”, zei Spies gisteren. Andere voordelen zijn volgens het kabinet dat de vastgelopen huizenmarkt een impuls krijgt en corporaties extra geld kunnen verdienen. Het voorstel gaat voor advies naar de Raad van State, daarna moeten de Eerste en Tweede Kamer erover besluiten.

De corporaties zijn woedend. „Wij gaan keihard procederen”, zegt Marc Calon, voorzitter van woningcorporatiekoepel Aedes. Volgens Calon en deskundigen maakt het kabinet inbreuk op het eigendomsrecht. Calon: „Wij zijn niet principieel tegen verkoop. Maar corporaties moeten zelf kunnen bepalen welke woningen ze wel en welke ze niet willen verkopen.”

Spies noemt het voorstel „juridisch goed doordacht. Er is geen sprake meer van een kooprecht van huurders, maar van een aanbiedingsplicht van corporaties. Het is even slikken voor de corporaties, dat begrijp ik.”

Corporaties vrezen voor een versnipperd bezit, een dat bemoeilijkt onderhoud en renovatie. Ze voorzien dat buurten verloederen als mensen net genoeg geld hebben om een huis te kopen maar geen geld meer hebben voor onderhoud. Ook bi>eden woningcorporaties nu al huizen te koop aan via ‘verkoopconstructies’, waarbij huurders fikse korting op de aankoop krijgen. Die constructies zijn „veel gunstiger”, zegt Calon, omdat ze kortingen van 25 tot 30 procent geven. Desondanks worden jaarlijks maar zo’n 15.000 huurwoningen verkocht. Veel huurders willen niet, hebben een te laag inkomen of lopen tegen strenge hypotheekregels aan.

In het Verenigd Koninkrijk bestaat sinds begin jaren tachtig het vergelijkbare ‘right-to-buy’-principe, geïntroduceerd door toenmalig premier Thatcher. Vooral slechtere huizen in slechtere buurten bleven over, eengezinswoningen en huizen in betere buurten waren snel verkocht. In sommige populaire steden zijn deze woningen nauwelijks meer te vinden.

In Schotland is het right-to-buy-principe zelfs onlangs afgeschaft. Premier Rutte noemde het Verenigd Koninkrijk echter een „geweldig succes. Het eigenwoningbezit is daar spectaculair gestegen.”