Gevoelens moet je terugdringen

Dichter Gerrit Kouwenaar interesseert zich voor de dood. ‘Het zou fantastisch zijn als ik morgen niet wakker word.’

Ze wilden hem in een verzorgingshuis hebben. Hij was alleen en hij herstelde van enkele zware operaties. Waarom zou een broze man van achter in de tachtig nog zelfstandig blijven wonen?

Dan kenden ze dichter Gerrit Kouwe-naar (1923) nog niet. Zijn magere lijf staat wat krom, veel kan hij niet meer lopen en anderen doen zijn boodschappen, maar Kouwenaar woont nog altijd in het Amsterdamse huis dat hij halverwege de jaren zestig betrok. „Dit is mijn eigen huis. Ik ga toch niet ergens anders wonen?”

In dit huis woonde Kouwenaar 35 jaar met zijn „lieve Paula”, totdat zijn vrouw in 2000 overleed. Ze had enkele jaren geleden aan „die schandelijke ziekte” Alzheimer. Sinds haar dood slijt Kouwenaar zijn dagen alleen, tussen de boeken, dichtbundels en kranten. „Fysiek is het niet meer zo makkelijk om op te ruimen. Ik ben een oud mens met een oud hoofd.” Zijn enige zoon, Marnix, woont in Hamburg en is geregeld bij hem. Oude vrienden, voor zover ze er nog zijn, bezoeken hem, maar ook jonge dichters spreekt hij nog.

Een beetje moeizaam is het bestaan wel, zegt Kouwenaar. „Toen ik tachtig was, reisde ik nog naar Amerika. Nu gaat dat niet meer. Ik zit hier, nog ouder te worden. En ik lees veel. Kranten, en poëzie.” Naast hem op de bank ligt een vergrootglas.

Kouwenaar mag dan een ‘oud mens’ zijn, hij is allerminst vergeten. Zijn taal en die van zijn generatiegenoten veranderde de naoorlogse poëzie in het Nederlandse taalgebied ingrijpend. Dat kostte tijd: aanvankelijk werd zijn werk moeilijk gevonden. De laatste decennia is zijn betekenis onomstreden.

Collega-dichter Gerrit Komrij schreef eind jaren negentig in NRC Handelsblad dat we er met Kouwenaars gedicht ‘men moet’ uit 1996 „een van de aangrijpendste gedichten van de Nederlandse poëzie” bij hebben gekregen. In 1997 kreeg Kouwenaar de VSB Poëzieprijs voor zijn bundel De tijd staat open. Toen moest Totaal witte kamer nog komen. Deze bundel, geschreven na de dood van zijn vrouw, werd enthousiast onthaald. In het titelgedicht schrijft hij zeer indringend over de dood, zonder dat woord te gebruiken:

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken

nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten

alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale

zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven

witter dan, samen –

Totaal witte kamer verraste de lezers die vertrouwd waren met het werk van Kouwenaar. De bundel was opener en persoonlijker dan gebruikelijk voor de dichter die het onpersoonlijke ‘men’ in de poëzie had geïntroduceerd en die bekend werd door zijn uitspraken over ‘het gedicht als ding’. Het ontbreken van expliciete emoties is een constante in Kouwenaars werk. Hij heeft zelf ook altijd erop gewezen dat een gedicht wel mag ontroeren, maar niet „gevuld moet zijn met papieren tranen”. „Gevoelens moet je terugdringen. Ze moeten niet te heet en te groot zijn. Totaal witte kamer zit vol emotie, maar afgedekt en voor gebruik gereedgemaakt. Geen tranen. En ja... moeilijk? Dat is het misschien, maar men maakte het moeilijker dan nodig. Men wilde er meer achter zoeken. Er staat wat er staat. Ik denk dat mijn latere werk de lezing van mijn eerdere werk heeft vergemakkelijkt, net als bij Lucebert.”

Het is niet voor het eerst in het gesprek dat Kouwenaar zijn in 1994 overleden vriend en collega Lucebert ter sprake brengt. Met hem en onder anderen Hugo Claus, Remco Campert, Simon Vinkenoog en Jan Elburg vormde Kouwenaar de groep van de Vijftigers.Ze waren verwant aan de naoorlogse experimentele bewegingen in de kunst die in heel Europa ontstonden – de Cobrabeweging (Copenhagen-Brussel-Amsterdam) bijvoorbeeld, de groep schilders en dichters waartoe Corneille, Constant en Karel Appel behoorden. Deze kunstenaars vonden dat vooroorlogse vormen en principes niet meer toereikend waren.

Tot de jaren vijftig golden klassieke sonnetten van dichters als J.C. Bloem en Adriaan Roland Holst als het hoogst haalbare in de Nederlandstalige poëzie. De Vijftigers pakten het anders aan. „Geen gerijmel. Geen voorgeschreven dreun”, zo vat Kouwenaar hun zelf verkozen opdracht samen. „Begrijp me goed: de vooroorlogse dichters mochten er zijn, maar ze waren van toen. Gorter is nog altijd modern, die schreef krankzinnig goede gedichten. Ook Bloem en Roland Holst hebben perfecte gedichten geschreven, maar na de oorlog moest er iets anders komen. De oorlog was voor ons allemaal cruciaal geweest. De wereld was voorgoed veranderd. We moesten niet voortzetten wat er al was.”

Zijn ontmoeting met Lucebert hielp daarbij. „Lucebert was een buitengewoon getalenteerd man, in allerlei opzichten. Ik was vlak na de oorlog kunstredacteur bij De Waarheid. We zaten in het gebouw bij het Algemeen Handelsblad, hier in Amsterdam, aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Op een dag kwam Lucebert binnenlopen. Hij wilde prentjes verkopen. Ik was wel geïnteresseerd en we spraken af in een café. Daar liet hij mij enkele gedichten zien. Die vond ik meteen al schitterend mooi.”

Vader David Kouwenaar was correspondent van de Nieuwe Rotterdamse Courant. Zijn vaders bezigheden als journalist hebben Kouwenaar ongetwijfeld ook aan het dichten geholpen, zegt hij. „Er werd geschreven bij ons thuis. En gelezen, en getekend. Dat is toch anders dan als je vader bij een bank werkt. In een huis waar geen kleurpotloden liggen, ga je ook niet gauw tekenen. Ik was altijd bezig met dingen maken, boekjes maken. Met mijn vader gingen mijn broer en ik geregeld naar het Stedelijk en het Rijks, al van jongs af aan. De kunst was voor ons een soort extra, een versiering die er bij hoorde. Mijn vader heeft ons altijd gestimuleerd in onze pogingen om zelf iets te maken.”

Broer David Kouwenaar, de in juli van dit jaar overleden schilder, was „een groot talent, een soort wonderkind”, zegt Kouwenaar. Hij loopt naar de meters lange boekenkast, rommelt wat en vindt een ansichtkaart met een levendig geschilderd portret van een jongeman. „Dit zelfportret schilderde hij al op z’n zeventiende, dat was nog voordat hij op de Rijksakademie kwam. Hij heeft een schitterend oeuvre nagelaten en had een grotere betekenis verdiend.”

Gerrit Kouwenaar noemt zichzelf graag „een Amsterdamse jongen”. Hij is geboren en getogen in Amsterdam. Zijn geboortehuis stond niet ver van waar hij nu woont, maar het gezin Kouwenaar verbleef ook veel in het Noord-Hollandse kunstenaarsdorp Bergen. Het gezin had er een vakantiehuis en woonde er korte tijd, na de pensionering van David senior in 1941, totdat het huis in beslag genomen werd. Bergen wemelde van de dichters, schilders en andere kunstenaars. De jonge Gerrit groette op straat ‘meneer Bloem’ en ‘Jany’ Roland Holst. Pieter Nicolaas van Eyck, schrijver van het gedicht ‘De tuinman en de dood’ en vader van architect Aldo van Eyck, kwam geregeld langs. Kouwenaars overbuurjongen was zijn leeftijdgenoot Simeon ten Holt, die met onder meer ‘Canto Ostinato’ zou uitgroeien tot een van de belangrijkste Nederlandse componisten. „ Ik beschouw het als een gelukkig toeval dat een deel van mijn leven zich daar heeft afgespeeld.”

Het levendige, inspirerende klimaat in Bergen werd wreed verstoord door wat voor Kouwenaar in elk opzicht de rest van zijn leven zou bepalen: het uitbreken van de oorlog. „In de oorlog is mijn politieke betrokkenheid ontstaan.”

Zijn twintigste verjaardag bracht Kouwenaar door in een Duitse gevangenis. Hij was door de bezetter opgepakt wegens medewerking aan een illegaal Utrechts studentenblaadje. Na zes maanden voorarrest kreeg hij een lage straf en mocht hij gaan. Bij de rechterlijke macht zat iemand van het Duitse verzet, denkt Kouwenaar.

Na de oorlog werd hij gevraagd te komen werken bij de communistische krant De Waarheid, het partijblad van de Communistische Partij in Nederland, die zetelde in het oude gebouw van het Handelsbla. De krant sloot aan bij zijn overtuiging. „Het was juni 1945. Andere kranten waren fout geweest in de oorlog en verschenen niet meteen opnieuw. En ik was ook wel een beetje linksig, dat ik bij een communistische krant ging werken was niet zo vreemd: de Russen hadden natuurlijk mede de Duitsers verslagen. Er heerste een naïef geloof in de Sovjet-Unie. Amsterdam had drie of vier communistische wethouders. Na anderhalf jaar had ik het wel bekeken.”

Behalve artikelen voor onder meer Vrij Nederland en Het Vrije Volk schreef Kouwenaar een paar romans. „Daarmee kwam ik verder dan met die rare gedichtjes. Boeken met een kop en een kont, dat snapten ze. Dat bewees dat je kon schrijven.” Ook vertaalde hij veel. In 1997 ontving hij de Martinus Nijhoffprijs voor zijn literaire vertalingen.

De Vijftigers hebben nooit een officiële groep gevormd, met vergaderingen of een programma. Na 1960 gingen de meeste ‘leden’ hun eigen weg, al bleven veel vriendschappelijke banden intact. In 1967 ontving Lucebert de P.C. Hooft-prijs, een van de belangrijkste literatuurprijzen in het Nederlandse taalgebied, drie jaar later gevolgd door Kouwenaar, die de toekenning van deze prijs beschouwt als zijn doorbraak. „Ik heb hem vroeg gekregen, nog voor mijn vijftigste. Toch was het nog vrij laat dat de prijs naar de Vijftigers ging. Eerst moesten de oudjes hem hebben: Bloem, Victor E. van Vriesland. Financieel stelde de prijs niet veel voor. Nu is het echt een prijs. Als je hem wint, kun je om de aarde vliegen. Toen was het iets van achtduizend gulden, daar kon je nauwelijks een auto van kopen.”

Kouwenaar staat nog eens op, schuifelt naar de keuken en komt terug met een fles rode wijn. Waar zijn eigenlijk zijn onafscheidelijke sigaretten? „Ik ben wel vijf keer gestopt. Nu rook ik twee sigaretten per week. Ik was al een tijdje gestopt toen Paula overleed, maar toen ze dood was, ja... Toen dacht ik: mag ik nog iets? Wat kan mij nou nog overkomen?”

De dood trad al vroeg op in Kouwenaars gedichten. „Ik interesseer me voor de dood”, zegt hij. „Al mijd ik dat woord bij voorkeur in mijn gedichten. ‘Dood’ is een dik woord.” Ook van deze fascinatie, voor dood en vergankelijkheid, ligt de oorsprong in de oorlogsjaren, zegt Kouwenaar. „De dood is dichtbij gekomen. In de gevangenis in Utrecht werd iedere week wel iemand doodgeschoten door de moffen, en in de Hongerwinter lagen er dooien op straat.”

Toch, zegt hij, was dat een andere dood dan de dood van zijn vrouw. „Dat voelde alsof ik zelf was doodgegaan. Ik heb nog nooit zo diep in het graf gekeken. Je bent iets kwijt. Je woont in hetzelfde huis, maar alleen. Ze was zo afwezig dat ze er was. Ik ben helemaal niet van dat zweverige gedoe, van geesten die de trap doen kraken, maar ik moest er weleens aan denken.”

Al vrij snel wist Kouwenaar dat hij wilde schrijven over haar dood. Nooit heeft hij gedacht dat hij niets op papier zou krijgen, of dat zijn intense betrokkenheid bij het onderwerp slechte poëzie zou opleveren. „Toen alles achter de rug was, kreeg ik een soort kalmte. Dat heeft goede gedichten opgeleverd.” Zelf is hij niet bang voor de dood. „Ik herhaal graag de ware woorden van E. du Perron: ‘de dood is niets, het doodgaan alles’. Het zou fantastisch zijn als ik morgen niet meer wakker word. Ik vrees vooral het lijden en de pijn.”

Kouwenaar verwijst ook in zijn gedichten geregeld naar zijn eigen naderende levenseinde, zoals in ‘men moet’:

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis

nog vellen, men moet zijn winters nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker

de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters

een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen

zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder

het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –

Is dit het gedicht van Kouwenaar dat zal beklijven? „Wie weet. Het is er goed genoeg voor, al heb ik natuurlijk meer mooie gedichten geschreven. En niets is eeuwig, zelfs mijn poëzie niet.”