Er is plaats voor mijn ouders Hoe moet dat nou als... als... als hij niet op tijd doodgaat?

Jannetje Koelewijn schreef De hemel bestaat niet, over het leven van haar ouders. Afgelopen zomer vond ze een plaats in het verzorgingshuis voor haar vader en haar moeder. „Gooi je dat weg? Hoe kun je dat nou weggooien.”

Nederland, Utrecht, 25-10-2011. Verhuizing van fam. Koelewijn. Kamer vader in Utrecht. Foto: Olivier Middendorp

Mei 2011

De kapstok ligt op de vloer, gruis eromheen, gaten in de muur. Mijn vader moet zich hebben vastgegrepen aan de haken, maar het gewicht van zijn slingerende lichaam was kennelijk groter dan de schroeven konden dragen. En daar ging hij. Bam.

Tegen mij zwijgt hij erover. Geen bot gebroken, niets aan de hand Alleen die zooi in het halletje, ja, nee, daar heeft hij zo direct geen verklaring voor. Blauwe plekken op zijn armen? Waar dan? En die broek, die was al oud. Dat is toch niet zo wonderlijk, dat die is gescheurd?

Ik bel de huisarts. De huisarts belt de geriater, in het ziekenhuis in Heerenveen. Met mijn moeder ben ik er al geweest, ze heeft alle onderzoeken ondergaan, alle testen gedaan – „examens”, zegt ze – en de uitslag weten we. Dementerend. Verbaast me niets, na veertig jaar depressie. Ze is er vanzelf ingegleden.

Nu is mijn vader aan de beurt.

Onderzoeken, testen, en dan mogen we voor zijn uitslag komen, in het kamertje van dokter Driessen. De geriatrisch verpleegkundige is er ook. Samen kijken ze vriendelijk en beslist naar mijn vader die tegenover hen zit, min of meer geschoren, in zijn beste pak, hoed op zijn knieën, koninklijke onderscheiding in het knoopsgat van zijn revers. Even eerder heb ik hun gevraagd of zij me kunnen helpen mijn vader te laten begrijpen dat het niet meer gaat zo, alleen in zijn huis in Sint Nicolaasga, ver van zijn kinderen die allemaal in Amsterdam of Utrecht wonen.

Dokter Driessen: „U ziet niet veel meer, hè?”

Mijn vader: „Nou, toch zeker nog twintig procent.”

Dokter Driessen: „Hoe weet u hoeveel eenheden insuline u spuit?”

Mijn vader: „Heel eenvoudig.” Hij pakt zijn doseerpen en doet het voor. „Als ik zes eenheden moet hebben, dan draai ik tot ik zes klikjes heb gehoord.” Klik, klik, klikklik. „Eh, wacht even, dat waren er eh… drie.” Klik, klikklik, klik…

Dokter Driessen: „Maar u ziet het niet, hè?”

Mijn vader: „Ik zie genoeg, hoor. Tot voor kort reed ik nog elke dag met de auto naar mijn vrouw in Heerenveen en dat ging…”

Dokter Driessen: „U reed met de áúto naar uw vrouw?”

Mijn vader: „Jazeker, hoe moest ik er anders komen? Ik kan die route blind vinden, hoor.”

Dokter Driessen: „Dat geloof ik.” Ze kijkt naar de verpleegkundige, die verbijsterd terugkijkt. „En nu?”

Mijn vader: „Nu heb ik een scootmobiel en ga ik met de taxi naar mijn vrouw.”

Hij lacht. Zo goed als hij dat geregeld heeft. Gewoon Taxi Oenema gebeld. „Als ik elke dag met jullie van Sint Nicolaasga naar Heerenveen ga en weer terug, hoeveel korting krijg ik dan?”

Dokter Driessen opent haar computerscherm en begint voor te lezen. De regelmatig wegvallende bloeddruk, de sterk schommelende suikerspiegel, de neuropathie, de nieren, de rug, de vaten, de hersenen. „U compenseert indrukwekkend door uw intelligentie”, zegt ze. „Maar ik heb toch wel wat geheugenproblemen vastgesteld.”

Mijn vader: „Geheugenproblemen? Nee hoor, u vergist zich. Ik weet alles nog. Ik zal u een voorbeeld geven uit mijn diensttijd. Het was dus zo dat we…”

Dezelfde dag nog legt hij zich erbij neer dat er thuishulp komt om zijn huis schoon te houden, dat de wijkzuster hem zijn medicijnen gaat geven, en dat we doen waar we het al zo vaak over gehad hebben: een plaats zoeken in een verzorgingshuis, in Amsterdam of Utrecht, voor hem en voor mijn moeder. Mijn moeder woont al langer in een verzorgingshuis. Ze is bij mijn vader weggaan toen ze zevenenzestig was, vijftien jaar geleden. Maar dat is ze nu vergeten.

„Goed”, zegt mijn vader. „Doe maar.”

Juni 2011

De houten naaidoos. Het potje van Workumer aardewerk. Het kristallen vaasje waar mijn moeder de fresia’s inzette die mijn vader elke week voor haar meenam, alle jaren van hun huwelijk. Het waren de bloemen van haar bruidsboeket. Gele fresia’s. Ze kleurden prachtig bij het gele bloesje en het muisgrijze mantelpakje dat ze droeg op de dag dat ze trouwden, 5 januari 1954. Die nacht – mijn vader vertelt me er vaker over dan me lief is – sliepen ze voor het eerst samen in één bed, in hun huis op de Nieuwendammerdijk in Amsterdam-Noord. Buiten vroor het dat het kraakte, maar zij lagen onder een dik pak dekens en deden waar ze zo eindeloos naar verlangd hadden.

Nu is het bloedheet en haal ik mijn moeders kasten leeg, gehaast, want over drie dagen komen de verhuizers en het inpakken van alle spullen, in twee huizen, kost veel meer tijd dan waar ik op gerekend had. Wat mag mee? Wat moet weg? Mijn moeder zit in haar stoel bij het raam, met de krant op haar schoot, en kijkt belangstellend naar wat ik aan het doen ben.

„Weet u nog, moeder, wat voor bloemen vader kocht als er geen fresia’s waren?”

„Ja, hoor. Dat weet ik nog wel.”

„Welke dan?”

„Anjers. Roze anjers. Of anders witte.”

„Zullen we het vaasje meenemen naar uw nieuwe huis?”

„Mijn nieuwe huis?”

„Uw nieuwe huis, ja. Zal ik het vaasje inpakken?”

„Dat hoeft niet, hoor. Wat moet ik met die troep.”

We hebben twee kamers voor ze gevonden in Amsterdam, kleine kamers, schuin tegenover elkaar in een particulier verzorgingshuis aan de Lauriergracht, net geopend en nog niet vol. Wel duur, duurder dan mijn ouders kunnen betalen. Maar mijn broers hebben uitgerekend dat ze er zeven jaar kunnen wonen als mijn vader zijn huis in Sint Nicolaasga voor twee ton kan verkopen en verder zijn pensioen en zijn spaargeld inzet. Mijn broers moesten wel aan het idee wennen dat er daarna geen erfenis meer zal zijn. En wat als mijn ouders over zeven jaar nog leven?

„Mijn gordijnen moeten mee”, zegt mijn vader. „Prachtige gordijnen, vind je niet? Heb ik nog met moeder samen gekocht. En mijn bureau. Mijn bureau moet ook mee. De boekenkasten. De keukentafel. En twee banken. Ik wil twee banken meenemen.”

„Eén bank, vader. Twee banken passen er niet in. De keukentafel past er ook niet in. En uw bureau...”

„Mijn bureau moet zeker mee.”

„Past er niet in, vader.”

„Je vergist je, hoor. Het kan naast de bedden staan in het slaapgedeelte.”

„Eén bed, vader. Er past één bed in. Een kleerkast ernaast en het slaapgedeelte is vol.”

Giroafschriften sinds 1949. De correspondentie van toen hij directeur was van de vereniging van protestants-christelijke scholen in Amsterdam. De collegedictaten van toen hij na zijn pensionering rechten studeerde. Bonnen, belastingaangiften, verzekeringspapieren. Ik prop het allemaal in grote vuilniszakken en een van mijn broers rijdt ermee naar de vuilstortplaats. Mijn zusje boent in de keuken mijn vaders borden en bestek schoon – ingedroogd eigeel, vastgekleefde broodkruimels – en mijn vader schuifelt van de een naar de ander.

„Wat heb je daar? Gooi je dat weg? Hoe kun je dat nou weggooien? Eeuwig zonde. Daar kan de buurman nog wel wat mee, hoor. En je nichtje, die gaat toch binnenkort op kamers? Zij krijgt de pannen.”

Vrijdagochtend om acht uur rijdt de vrachtwagen van de firma Van Vliet voor, verhuizers sinds 1933. Dit is de derde generatie.

„Dag Jan-Willem.”

„Dag meneer Koelewijn.”

Mijn ouders zijn hun leven lang door hen verhuisd, van Amsterdam-Noord naar Tuindorp Oostzaan en naar Amsterdam-West, daarna weer naar Amsterdam-Noord en ten slotte, tweeëntwintig jaar geleden, naar Friesland, waar mijn moeder geboren is. Nu gaan ze weer terug.

Bij mijn moeder zijn de verhuizers zo klaar en bij mijn vader ook, want bijna alles blijft achter in Sint Nicolaasga. Om elf uur gooien ze de laadklep dicht en starten ze de motor van de vrachtwagen. Mijn vader pakt zijn jas en zijn stok. Hij zet zijn hoed op.

„Kom, Renske, we gaan.”

„Waar gaan we naartoe?”

Hij wil door de voordeur, voor de laatste keer. Hij loopt stijf gearmd met mijn moeder naar de auto van mijn broer, die hen naar Amsterdam zal brengen. Hij kijkt niet meer om. Zijn schouders schokken.

Juli 2011

„Die jas van moeder”, zegt mijn vader. „Waar heb je die gelaten?”

„Welke jas, vader?”

„Dat weet je best. Die blauwe. Een dure jas, hoor. Hij hing bij haar aan de kapstok.”

„Moet ik even over nadenken.”

„Je hebt hem toch niet weggegooid, hè?”

„Dat kan ik me niet voorstellen, vader.”

Ik zeg het om ervan af te zijn. En dat weet hij. Hij begint er elke keer weer over. Heel goed mogelijk dat ik die jas in de kledingcontainer heb gestopt, want daar heb ik wel twintig jassen in gestopt, en jurken en rokken en broeken en truitjes, allemaal te klein geworden. Mijn moeder kocht ze toen ze net bij mijn vader weg was, elke maand voor honderden guldens. Ze droeg ze hooguit twee keer en daarna propte ze ze achter in haar kast.

„En het juwelenkistje”, zegt mijn vader. „Waar heb je dat gelaten?”

„Juwelenkistje?”

„Dat lag in de la van moeders bureautje. Dat weet je toch wel?”

„Ja, dat heb ik in mijn handen gehad en toen eh…”

„Moeders trouwring zit erin.”

„Ah, ja. Ik denk dat het in een van de verhuisdozen zit die nog in Sint Nicolaasga staan.”

„Je dénkt?”

„Ik weet het zeker, vader.”

Mijn moeder zit weer in haar stoel bij het raam, met de krant op haar schoot. De Friese klok, die ze heeft gekocht na de geboorte van mijn jongste zusje, hangt weer aan de wand. De boeken staan in de kast en op het driehoekige Pastoe-tafeltje uit de tijd dat ze nog gelukkig was staat het kristallen vaasje, met fresia’s. Ze heeft geleerd dat ze vanuit haar kamer rechtsaf de gang in moet lopen als ze naar de kamer van mijn vader wil. Ze doet het wel tien keer per dag.

„Wim, waar zijn we? Wat doen we hier?”

’s Avonds, zegt mijn vader, geeft hij haar een beker warme melk en daarna brengt hij haar naar bed. Soms komt ze ’s nachts weer terug en kruipt ze bij hem in bed. Dan huilt ze en houdt hij haar vast.

„Ze is altijd steenkoud.”

September 2011

Mijn vader slaapt slecht, want geen koper die naar zijn huis in Sint Nicolaasga komt kijken en hoe moet dat nou als hij… als hij…

Niet op tijd doodgaat.

Zijn spaargeld, deels belegd in aandelen, wordt ook met de dag minder waard.

„Zeven jaar, vader. Dan zien we wel weer.”

„Die zeven jaar redden we niet eens. En wat doen we dan?”

Hij neemt nooit meer een taxi. Hij gaat met de tram. Eerst rijdt hij met zijn scootmobiel naar de halte op de Elandsgracht en daar stapt hij in, wankelend op zijn benen, tastend.

„Er zijn altijd mensen die voor me opstaan.”

„Dat begrijp ik, vader.”

Ik zit op mijn werk als ik telefoon krijg van het Bartholomeus Gasthuis in Utrecht, een niet-particulier verzorgingshuis bij mij om de hoek. Mijn ouders stonden daar al lang op de wachtlijst, maar er was nooit plaats. Nu is er wel plaats. Ik ga kijken.

Het Bartholomeus Gasthuis, verzorgingshuis sinds 1367, is net weer verbouwd. Het ziet eruit als een goed hotel. Een eetzaal die nu brasserie heet en waar elke dag versbereide maaltijden worden geserveerd, ook voor mensen uit de buurt. Voor mijn vader is er een ruim appartement op de begane grond. Voor mijn moeder een kleine kamer op de afdeling psychogeriatrie. „Daar heeft uw moeder toch een indicatie voor?”

Gedeelde badkamer. Gedeelde huiskamer. Samen aardappels schillen en sperzieboontjes koken, samen de was doen, voor wie dat nog kan. Er is een speelgoedpoesje dat in een mandje ligt te snorren en mee naar buiten mag als er een uitstapje naar de tuin wordt gemaakt. Er is een vogeltje dat fluit als je er langs loopt. Maar de deur zit op slot. En er wordt gedwaald en gekwijld en geschreeuwd. „Dat maken we eigenlijk altijd mee, hoor, dat de kinderen in eerste instantie schrikken.” En: „Kinderen zien meestal meer in hun vader of moeder dan er in werkelijkheid nog is.”

Ik bel mijn broers en zusjes. We gaan nog een keer kijken. Ik bel mijn vader.

„Wat een zegen”, zegt hij.

„Maar moeder?”

„Ik denk dat ze er hard aan toe is.”

„U dénkt?”

„Ik weet het zeker.”

We gaan weer kijken en daarna drinken we koffie in de zon. De makelaar in Sint Nicolaasga heeft net gebeld. Mijn broer had de prijs van het huis flink verlaagd en nu is er een koper.

„Ik heb gehoord dat we naar Utrecht gaan verhuizen”, zegt mijn moeder tegen mijn vader. „Wist jij dat?”

„Ja zeker”, zegt mijn vader. „Dat wist ik.”

Hij kijkt naar mij en vraagt hoe Kerst dit jaar valt. Als we nou eens op vrijdag de trein naar Parijs pakken. Gaan we op maandag weer terug en de kinderen die mee willen, gaan mee.

„Lijkt je dat wat, Renske? Gaan we mooie kleren voor jou kopen. We kunnen het ons nu weer permitteren.”

Mijn moeder wappert met haar handen en zegt dat ze de zenuwen door haar hele lichaam voelt.

„Het komt nu wel erg dichtbij”, zegt ze.

„Wat komt dichtbij”, vraagt mijn vader.

„Dat we naar Parijs gaan verhuizen. Heb jij daar iets geregeld?”

Oktober 2011

De houten naaidoos. Het potje van Workumer aardewerk. Het vaasje. Samen met mijn zusje pak ik ze weer in. Maar van de boeken doen we de helft weg, want in mijn moeders nieuwe kamer kan maar een kleine kast staan. Haar bed heeft ze ook niet meer nodig, want ze krijgt nu een verpleeghuisbed, met een plastic matras en een elektrisch verstelbare bodem. Haar teakhouten eettafel met de zes stoelen gaat naar het appartement van mijn vader.

Mijn broers huren een busje en halen in Sint Nicolaasga mijn vaders bureau op, en de bank die daar was achtergebleven. Mijn vader heeft er nu weer plek voor. Hij wil internet en zijn computer moet worden aangesloten, voor het idee. Er komen ook een paar verhuisdozen mee en twee grote boodschappentassen op wieltjes. Uit een ervan komt mijn moeders blauwe jas. Uit een van de verhuisdozen komt het juwelenkistje.

„Waarom had je dat nou daarin gestopt”, vraagt mijn vader. „Levensgevaarlijk. Voor hetzelfde geld waren we het kwijt geweest.”

Dinsdagochtend om acht uur staan de verhuizers van Van Vliet weer voor de deur.

„Dag Jan-Willem.”

„Dag meneer Koelewijn.”

Om half elf deelt mijn vader doosjes Merci chocolaatjes uit aan de verzorgsters en schoonmaaksters in het huis aan de Lauriergracht en om kwart voor twaalf stappen we op het Amstel Station in de trein naar Utrecht.

„Wat een feest”, zegt mijn vader.

„Gezellig”, zegt mijn moeder. „Wat is het programma?”

Om twee uur staat haar gehalveerde boekenkast weer overeind, om drie uur hangt de Friese klok en om half vier komt mijn moeder aan de arm van mijn zusje kijken. Ze gaat in haar stoel bij het raam zitten, legt de krant op haar schoot en vraagt of er voor vannacht logies is besteld. „Hé”, zegt ze als we daarna de route naar mijn vaders appartement oefenen en we langs de huiskamer lopen. „Iemand schreeuwt.” Ze grijnst en zegt: „Dat ga ik later lekker ook doen.”

Mijn vader wil de oude televisies wegdoen en twee nieuwe kopen, een voor mijn moeder en een voor hemzelf, voor als mijn moeder bij hem is. Zaterdagmiddag gaan we naar de Mediamarkt in Hoog Catharijne, hij op zijn scootmobiel, mijn moeder aan mijn arm. De eerste lift die we tegenkomen doet het niet. Voor de volgende moeten we omlopen via de rijweg. De trottoirs staan vol met fietsen. Halverwege struikelt mijn moeder. Ik kan haar niet houden. Ze valt op haar rug. Twee voorbijgangers helpen me om haar omhoog te hijsen.

„Twee televisies”, zegt mijn vader tegen de verkoper als we aan de beurt zijn. „Maximaal veertig centimeter hoog. Dan past hij in mijn boekenkast.”

„Veertig centimeter”, vraagt de verkoper. Hij wijst naar het kleinste model in de rij op de toonbank en zegt dat veertig centimeter nog kleiner is. „Weet u het zeker? Zal ik deze even aanzetten?”

„Laat u maar”, zegt mijn vader. „Ik zie het toch niet. Geeft u dan maar twee grote. Van Philips alstublieft en graag thuis bezorgen.”

„Krijg ik er ook één”, vraagt mijn moeder.

„Jij krijgt er ook één”, zegt mijn vader. „En wil je een magnetron? Laten we een magnetron gaan kopen. Dan kan ik ’s avonds een lekkere beker melk voor je warm maken.”

„Ik heb liever wijn.”

„Heb ik ook voor je.”

Mijn moeder kan nu niet meer zelf naar mijn vader toelopen, behalve als ze de code van de deur op haar afdeling weet. Telkens als ik haar ophaal kijkt ze met me mee en na een tijdje kent ze hem uit haar hoofd, soms. Maar dan beginnen de verzorgsters op de afdeling het te merken. Ze gaan haar achterna en brengen haar terug.

„Ik ben boos”, zegt mijn moeder als ik bij haar op haar kamer ben. Ze balt haar vuisten en gromt als een tekenfilmfiguurtje. „Ik ben heel boos. Ze geven me hier standjes.”

„Een telefoon”, zeg ik. „We kopen een telefoon en we doen het zo dat u alleen maar een 1 hoeft in te drukken en dan komt vader.”

„Ik wil hier weg”, zegt mijn moeder. „Ze houden me hier gevangen.”

„Het is ook wel fijn dat er op u gelet wordt”, zeg ik.

„Dat is waar”, zegt mijn moeder. „Ik kan niet meer kwijtraken. Hoe vaak ik in mijn leven al niet ben kwijtgeraakt. Gelukkig word ik altijd weer gevonden.”

„Zullen we gaan wandelen?”

„Ik hou niet van wandelen. Ik hou van fruithapjes. Ik krijg hier elke middag een fruithapje, wist je dat? Met een beetje slagroom. Dat noem ik nou menslievend.”

Je kinderen zijn het huis nog niet uit of je ouders worden ziek en hulpbehoevend. Hoe is dat voor u? NRC Handelsblad wil daar een volgend verhaal aan wijden.Mail naar weekend@nrc.nl.