De VVD verkwanselt haar liberale erfgoed

Hetzelfde liberalisme dat ooit het voortbestaan van de Rijksakademie garandeerde, betekent nu haar ondergang, schrijft Jan Bank.

Projekt van GEIRTHRUDUR FINNBOGADOTTIR HJORVAR in de Rijksakademie ,Amsterdam.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 28 november 2007 ©Vincent Mentzel 2007

Het voortbestaan van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten stond enkele weken geleden op het spel in de Tweede Kamer. Staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) wil aan postdoctorale instellingen als de Rijksakademie in totaal nog slechts vijftig plekken betalen voor toptalenten en verdere financiering stopzetten, waarmee ze dreigt te verdwijnen. De argumenten die tot haar oprichting leidden, worden omgekeerd gebruikt, vooral door Zijlstra en door de fractie van dezelfde richting – het liberalisme – waarvan de voorgangers ooit haar oprichting initieerden. Volgens VVD’er Bart de Liefde moeten nieuwe stappen worden gezet waarin artistieke kwaliteiten niet langer boven ondernemerschap worden gesteld.

Dat onderwijs in de kunsten een taak van de staat is, stamt uit de Verlichting. Kunstliefde was een burgerdeugd. De kwaliteit ervan moest allerwegen worden bevorderd. Koning Lodewijk Napoleon importeerde de eerste Academie van Beeldende Kunsten uit Frankrijk. Er werd (hoger) kunstonderwijs gegeven en een concours ingesteld met een Grote Prijs – een gesubsidieerde buitenlandse reis voor de winnende kunstenaar.

Toen in 1848 in Nederland de parlementaire democratie werd ingevoerd, paste deze vorm van kunstpolitiek in de denkbeelden van de liberaal Thorbecke. De staat mocht niet oordelen in kunsten en dus geen subsidiënt van kunstenaars zijn, maar zij kon wel (objectieve) voorwaarden scheppen voor zulke kunstbeoefening en deed dat door het betalen van kunstonderwijs en van rijksmusea.

Liberalen ondersteunden ook later het voortbestaan van dit hogere kunstonderwijs, dat moest blijven strijden om het behoud van staatssteun vanuit het belang van een nationale identiteit. Het kunstonderwijs moest worden verbeterd om Nederland economisch ‘op de kaart te zetten’. In de Tweede Kamer werd gesteld dat de toegenomen materiële welvaart van Nederland geen achterstand mocht veroorzaken in de „geestelijke en culturele welstand”.

In de publieke discussie en ook onder liberalen werd de Akademie aangeprezen als een ruimte waar leraren en leerlingen zich aan elkaar konden meten en met elkaar konden uitwisselen. Dit was beter dan het ateliersysteem, waarin jonge kunstenaars het vak leerden van een gerijpte kunstbroeder. Wel moesten, om één genie te ontdekken, honderd studenten de opleiding hebben gevolgd. Met de subsidiëring van slechts vijftig toptalenten, verdeeld over het hele land, lijken de liberalen dit inzicht vandaag de dag weer te zijn vergeten.

De Rijksakademie van 2011 bezigt dezelfde uitgangspunten als bij haar oprichting. Er is een hoger kunstonderwijs, dat – naar moderne maatstaven – veel meer is gericht op individuele kunstenaars in opleiding. Er is een hoofdprijs, de Prix de Rome, die verwijst naar het eeuwenoude ideaal van de kunstreis naar een centrum van de klassieke oudheid, maar die nu wordt benut in allerlei variaties. Toch lijkt het liberale ideaal, waarin de politiek nog voorwaarden kon scheppen voor de kunsten door kunstonderwijs te betalen, verdwenen. Ook de mogelijkheden die de kunsten bieden, worden onderschat.

Burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam blijkt een pleitbezorger van het voortbestaan van de Rijksakademie. Hij gebruikte bij de opening van de ateliertentoonstelling het (aloude) economische argument in nieuwe bewoordingen – het creatieve Amsterdam is goed en onmisbaar voor het economische Amsterdam. Dit moet liberalen ook in 2011 als muziek in de oren klinken.

In elk geval zouden de staatssecretaris en zijn liberale vrienden zich nog eens kunnen oriënteren op de daden van hun even liberale voorgangers alvorens in te stemmen met een bezuiniging die in feite de Rijksakademie afschaft.

Jan Bank is emeritus hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden.