De verscheurde wereld van de broers Draganovic

Negentien jaar geleden waren ze wereldnieuws: Hamdo en Senad Draganovic, gefilmd in kamp Omarska in Bosnië-Herzegovina. Allebei kregen ze een Nederlands paspoort. „Ik houd van Bosnië en dat gevoel wordt steeds sterker.”

Het was de zomer van 1992. In Barcelona werden de Olympische Spelen gehouden, miljoenen Europeanen waren op vakantie. Niet ver van de volgepakte stranden woedde in Bosnië-Herzegovina een steeds verder escalerende oorlog: een wereld van sluipschutters, granaatbeschietingen en etnische zuiveringen. Bosnische Serviërs zouden concentratiekampen hebben ingericht, waar ze duizenden Bosnische moslims vasthielden.

Niemand wist precies wat zich daar afspeelde, totdat op een ochtend in augustus een cameraploeg van de Britse omroep ITN een kortstondig bezoek mocht brengen aan het voormalige mijncomplex Omarska dat volgens de directie geen kamp was, maar een ‘verzamelcentrum’. De journalisten kregen enkele honderden van de 2.500 gevangenen te zien. Ze filmden een groep rennende mannen, de doodsangst in hun ogen, die naar de kantine gedreven werden. Daar werken ze een kom waterige bonensoep naar binnen, Servische bewakers met kalasjnikovs manen hen tot spoed. Van de broodmagere, soms uitgemergelde gevangenen zegt niemand iets. Het lukt de verslaggever om één van hen te vragen hoe hij wordt behandeld. „Ik wil niet liegen”, antwoordt hij. „Maar ik kan de waarheid niet zeggen.”

De schokkende beelden gingen dezelfde dag nog de wereld over en leidden tot zo veel verontwaardiging en media-aandacht dat de Serviërs het kamp direct de volgende dag grotendeels ontruimden. De meeste gevangenen werden afgevoerd naar andere kampen. Onder hen waren de broers Hamdo en Senad Draganovic: vervuild en in dezelfde kleren die ze bij hun arrestatie zes weken eerder droegen. Ze staan ook op de ITN-beelden: door een haag van bewakers in looppas op weg naar de kantine van Omarska. Tijdens hun gevangenschap waren beiden meer dan twintig kilo afgevallen, Senad kreeg dysenterie en balanceerde op de rand van de dood. Na een verblijf van een half jaar in het kamp Manjaca kwamen ze vrij.

Verschillende Europese landen, waaronder Nederland, toonden zich bereid de overlevenden van de kampen op te nemen. Zo belandden Hamdo en Senad – later gevolgd door hun vrouwen en kinderen – in een Haarlemse kazerne, in afwachting van hun asielprocedure. Net als de anderen in het opvangcentrum kregen de broers therapie om hun trauma’s te verwerken. Via zijn psychiater ontmoette ik Hamdo, zijn vrouw Nera en hun dochtertje Aida.

Hamdo was in de kampen Keraterm en Omarska – waar hij tot zijn etnisch gemotiveerde ontslag jarenlang als opzichter had gewerkt – bijna dagelijks mishandeld en tijdens een ‘verhoor’ werd hij finaal in elkaar geslagen, hij was getuige geweest van martelingen en moorden. Ik publiceerde zijn levensverhaal in deze krant onder de kop ‘Al het menselijke is in ons vermoord’. Later volgde De verloren wereld van de familie Berberovic, een boek over de oorlogservaringen van Hamdo en zijn familie. Voor de schuilnaam Berberovic is nu geen reden meer.

Tot de oorlog woonden vijf van de zes broers en zussen Draganovic met hun partners en kinderen in of om het dorp Ljubija, in Noordwest-Bosnië. Na hun verdrijving is de familie uiteengezwermd. Drie broers en twee zussen Draganovic wonen nu respectievelijk in Zweden, Oostenrijk en Nederland, een zus is in Zweden overleden. Hamdo’s tante woont in Londen, Nera’s zuster in Duitsland, een broer in Noorwegen.

Met Hamdo en Nera heb ik al die jaren nog sporadisch contact onderhouden, met Senad en Gorana niet. Na de arrestatie van de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic vroeg ik me af: hoe zou het achttien jaar na dato met ze gaan?

Kippenvlees en meelballen

Hamdo (47) en Nera (50) wonen nog steeds in hetzelfde huis in het Brabantse dorp ’s Gravenmoer dat ze na hun verblijf van anderhalf jaar in de Haarlemse kazerne konden huren en inmiddels hebben gekocht. Nera werkt als schoonmaakster in een psychiatrische inrichting, Hamdo heeft een managementfunctie bij Coca-Cola waarvoor hij ook in de Nederlandse en in de internationale ondernemingsraad zit. Vorig jaar behaalde hij een mbo-diploma, voor zijn nieuwe functie volgt hij cursussen als voorbereiding op een hogeschoolopleiding die hij hoopt te voltooien.

Nera serveert een Bosnische soep met kippenvlees en meelballen. „Hamdo heeft me nooit alle details over Omarska verteld”, zegt ze. „Veel van wat ik erover weet heb ik voor het eerst in jouw boek gelezen. Draganovic-mannen praten niet graag over hun gevoelens.” Hamdo heeft naar eigen zeggen destijds veel aan zijn therapie gehad. „Ik wilde Nera niet met mijn kampervaringen lastigvallen, maar met die psychiater kon ik er wel over spreken.” Ook werd hij door het Joegoslavië-tribunaal als getuige gehoord.

Angstdromen heeft hij niet meer, wel kan hij vaak moeilijk in slaap komen. „Ik zit nog met veel open vragen”, zegt hij. „Waarom ben ik opgepakt, in kampen vastgehouden en geslagen door vroegere collega’s van mijn werk, zelfs door mensen met wie ik dacht bevriend te zijn?” Op bezoek in Bosnië heeft hij die vragen aan enkele Serviërs kunnen stellen. Hun antwoorden stelden hem teleur. „Ze zeiden dat ze niet wisten wat zich in die kampen afspeelden of dat ze wel moesten meedoen aan etnische zuiveringen of ander geweld. Onzin! De meesten hadden die keuze wel.”

In 1998 kregen Hamdo, Nera en hun dochter Aida de Nederlandse nationaliteit en konden ze voor het eerst terug naar Ljubija. In het dorp hing een deprimerende sfeer. „Er was geen mens op straat”, vertelt Nera. „Veel huizen waren dichtgespijkerd, de straten waren overwoekerd en overal liepen varkens rond.”

Tot de oorlog woonden Hamdo en Nera boven hun ouders. Het hele huis was nu ingenomen door Serviërs: beneden door vluchtelingen uit Midden-Bosnië en boven door mensen die elders een ander huis hadden dat ze verhuurden. Ze mochten de benedenverdieping bekijken, de bewoners van hun eigen woning waren niet thuis. „We hadden snoep bij ons voor de kinderen en ik heb die man tien D-Mark gegeven”, zegt Hamdo. „Daarna kreeg ik voor het eerst van mijn leven hoofdpijn.” Na een lange administratieve strijd kregen Hamdo en Nera in 2001 hun huis terug.

Opgeblazen

Ljubija ligt tegenwoordig in de Republika Srpska, het Servische deel van Bosnië. Voor de oorlog was 90 procent van de inwoners van het benedendorp moslim, de overige 10 procent waren Serviërs. In het bovendorp woonden moslims, Serviërs en Kroaten door elkaar. Bij de etnische zuiveringen werden de meeste moslims en Kroaten verdreven. De verlaten huizen werden ingenomen door Servische vluchtelingen, die op hun beurt in de loop der jaren grotendeels weer zijn teruggekeerd naar hun dorpen of steden van herkomst. Een klein aantal moslims, vooral bejaarden, keerde terug.

Iedere zomer gaan Hamdo en zijn broers met hun gezinnen naar Ljubija. „Dan zien we al die mensen weer terug”, vertelt Nera. „De rest van het jaar is het benedendorp grotendeels verlaten. Iedereen denkt erover om er ooit weer te gaan wonen, maar tot nu toe heeft bijna niemand dat gedaan.”

De moskee van Ljubija werd tijdens de oorlog door Servische nationalisten opgeblazen. Met donaties van voormalige dorpsbewoners is hij weer opgebouwd. „Groter en mooier dan hij was”, zegt Hamdo. Zijn familie betaalde de binnenverlichting en die van Nera de buitenverlichting. Toch beschouwt Hamdo zich evenals al zijn broers en zusters nog steeds als atheïst. Ze doen wel iets aan de islamitische feestdagen, maar zien hun moslim-identiteit meer als een cultuur. „Thuis leven wij als Bosniërs, maar zodra we de deur uitgaan zijn we Nederlanders”, zegt Nera. „Niemand op mijn werk geloofde dat ik moslim ben. Ze denken daarbij alleen maar aan hoofddoeken en boerka’s, maar wij zijn Europese moslims. Wij zijn niet door onze ouders gedwongen om gelovig te worden en dat is waarom wij zijn zoals we zijn.”

Dat ze als niet-gelovigen toch als moslims zijn vervolgd heeft ze niet religieuzer gemaakt dan ze waren, maar bij dochter Aida (23) ligt dat anders. In tegenstelling tot haar ouders vast ze doorgaans wel met ramadan. Daarmee begon ze op haar vijftiende. „Sinds de dood van mijn opa ben ik dat gaan doen”, zegt ze. „Zijn begrafenis in Ljubija was heel emotioneel.” De islamitische rituelen bij de plechtigheid vormden haar eerste echte confrontatie met het geloof, ze voerde ook lange gesprekken over religie met haar oma van moederskant. „Het voelde allemaal steeds logischer. Vooral na de aanslagen van ‘11 september’ ben ik me in de islam gaan verdiepen met als voornaamste vraag: wat is de positieve kant ervan? Wat mij betreft is dat de omgang met mensen, het respect voor het leven. Ik wil nooit dat de islam mijn leven gaat leiden, ik zal nooit vijf keer per dag bidden of een hoofddoek dragen. Maar je kunt wel kracht uit het geloof halen.”

Ik ontmoette Aida destijds toen ze net met haar moeder na een moeizame vlucht in Nederland was aangekomen en werd herenigd met haar vader. Ze was een bleek, in zichzelf gekeerd meisje dat gezien had hoe haar vader was afgevoerd en met haar moeder had ze regelmatig haar toevlucht moeten zoeken in schuilkelders of in de bergen. Van die getroebleerde vroegste jeugd is nu niets meer te merken. Na het voltooien van een mbo-opleiding horecamanagement volgt ze nu een hbo-opleiding personeelsbeleid. „Dat heb ik van thuis meegekregen. Mijn vader wil ook altijd hogerop.”

Ongeveer de helft van Aida’s vriendenkring bestaat uit Bosniërs. „De meesten zijn moslims, maar daar let ik niet op. Net als mijn ouders haat ik niemand vanwege zijn afkomst.” Ze heeft een relatie met een Nederlandse Bosniër die een Kroatische vader en een Servische moeder heeft. Hamdo heeft daarover zo zijn twijfels. „Ik heb niets tegen hem of zijn ouders”, zegt hij. „Maar gemengde relaties houden tegenwoordig moeilijk stand.” Nera denkt daar anders over. „Het voordeel is dat ze allebei in Nederland zijn opgegroeid. We hebben Aida niet opgelegd wat ze moet doen. In de oorlog heb ik geprobeerd nooit mijn angsten op Aida over te dragen, misschien hebben zijn ouders dat ook zo gedaan.”

Gemengde huwelijken

Nera’s familieleden zijn vrijwel allemaal moslims. De familie Draganovic daarentegen kent veel gemengde huwelijken. Zo was Hamdo’s broer Senad met de Servische Gorana getrouwd. In de oorlog moest zij kiezen tussen haar familie en haar man. Ze koos voor Senad en zo kwamen ook Gorana en hun dochter Dajana als vluchteling in Nederland terecht. Dat huwelijk blijkt inmiddels op de klippen gelopen. Ze spreken elkaar nooit meer en ook Dajana heeft alle banden met haar vader en zijn familie verbroken. Gorana en Dajana – die niet aan dit artikel wilden meewerken – wonen aan de ene kant van Oosterhout, Senad kocht een appartement aan de andere kant van de Brabantse stad, zo ver mogelijk bij haar vandaan. Daar woont hij met zijn nieuwe echtgenote Naza, een Bosnische van moslim-afkomst die werkzaam is bij de politie in Zuid-Holland.

Senad is de meest emotionele van de broers. Of, zoals Hamdo’s dochter Aida het formuleert: „Mijn vader is door de oorlog rustiger en geslotener geworden, bij mijn oom is dat precies andersom.” Senad beaamt dat. „Ik begrijp mijn leven niet”, zegt hij in vloeiend Nederlands. „Het is als een lange, slechte droom. Sinds de dag van mijn aankomst in Nederland wil ik weg. Elf maanden per jaar ben ik in Oosterhout, maar die ene maand vakantie in Bosnië is waar alles om draait.” Hij heeft een baan als metaalbewerker en is de pleegvader van de twaalfjarige zoon van zijn vrouw. „Voorlopig kan ik dus niet terug, maar zodra hij volwassen is gaan we wat mij betreft naar Ljubija. Drie jaar geleden hebben we daar al een huis gekocht.”

De eerste keer dat hij na de oorlog – met Gorana – weer in Bosnië was, ontmoette hij ook weer zijn Servische schoonfamilie. Twee van Gorana’s broers waren soldaat geweest, de derde had zich maandenlang in de kelder verstopt omdat hij juist niet mee wilde vechten. „Hun houding naar mij toe was goed, ze toonden respect”, zegt hij. De drie broers van Gorana waren ook aanwezig op de begrafenis van Senads vader. „Misschien was ik naïef, achteraf hoorde ik pas wat ze op hun geweten hadden”, doelend op Gorana’s oudste broer die door Kroatië wegens oorlogsmisdaden wordt gezocht. Toch lijkt de scheiding tussen Senad en Gorana meer te maken te hebben met een botsing van karakters dan met hun verschillende afkomst. „We spraken nooit over de oorlog”, blikt Senad terug. „Niet met elkaar en ook niet met Dajana. Ook deden we niets aan ons geloof.”

Elektriciteitssnoer

De ouders, een broer en een zuster van Hamdo en Senad zijn als vluchtelingen in het Zweedse Uddevalla terechtgekomen. Hun moeder was een rokende hartpatiënte, hun vader Omer een gebroken man. „Hij was een perfectionist die zijn hele leven keihard heeft gewerkt”, zegt Senad. „Het was zijn droom om in Ljubija te leven met zijn kinderen en kleinkinderen om zich heen. Die droom was uit elkaar geknald. Hij kon er niet tegen om te zien hoe zijn nazaten overal verspreid woonden. Ik hoorde van mijn broer hoe hij steeds twee zinnen Zweeds oefende, die hij zodra hij op straat stond weer was vergeten.”

In 2003 maakte Omer Draganovic in Uddevalla een eind aan zijn leven. Zijn oudste zoon vond hem op de vloer van de zolder van het flatgebouw waar hij woonde. Hij had zich opgehangen met een elektriciteitssnoer dat uiteindelijk had losgelaten. Van tevoren had hij zijn ring afgedaan en zijn pet netjes neergelegd. Op een stukje karton had hij in een regelmatig schoonschrift zijn afscheidszin geschreven: „Mijn geliefden, mijn ziekte was sterker dan ik.”

Iedere laatste week van juli vindt er in Bosnië een massabegrafenis plaats van slachtoffers van wie via DNA-onderzoek de identiteit is vastgesteld en er zijn jaarlijkse herdenkingsplechtigheden in diverse voormalige concentratiekampen. Hamdo nam daar tot dusver niet aan deel. „Ik merk dat degenen die daar wel heengaan zich daarna slechter voelen”, meent hij. „Ook bij Senad levert dat een hoop frustratie op.”

Dit jaar bezochten Senad en zijn nieuwe vrouw de herdenking in het Omarska-complex, tegenwoordig weer in gebruik als ijzerertsmijn en inmiddels door de Bosnisch-Servische autoriteiten verkocht aanArcelorMittal, de grootste staalproducent ter wereld. Hamdo was er als opzichter nog verantwoordelijk geweest voor het opknappen van het Witte Huis, uitgerekend het gebouw waar tijdens de oorlog de meeste martelingen, moorden en verkrachtingen zouden plaatsvinden. „We liepen door de velden”, vertelt Senad. „Opeens doemde het Witte Huis op, het Rode Huis dat geen van de gevangenen levend wist te verlaten, de kantoren waar ze Hamdo hebben mishandeld, de keuken. In een fractie van een seconde kwam alles weer terug, dat was heel heftig.”

Tijdens de herdenking stonden buiten het complex overal politiemannen. „Zonder wapens, maar het waren wel allemaal Serviërs. Ze waren daar voor onze bescherming, zeiden ze. De garage waar Hamdo en ik waren opgesloten mochten we niet in.”

Onlangs heeft Senad – door een Serviër – een reusachtige tattoo op zijn rug laten zetten van een ‘fleur de lis’, het nationale symbool van de Bosnische moslims. „Ik houd van Bosnië en dat gevoel wordt steeds sterker. Misschien ook wel door een schuldgevoel, omdat ik niet heb kunnen vechten voor mijn land.” Een nieuwe oorlog komt er, daarvan is hij overtuigd. „Ons probleem is dat we geen idealen hebben zoals de Serviërs en ons te makkelijk aanpassen. Ik ken een moslim die een hotel heeft geopend tegenover het voormalige kamp Keraterm. In Servisch-Bosnisch gebied. Hoofddoekloze, bier drinkende moslims zijn we. Maar ik denk niet dat we ons ooit nog laten opsluiten en martelen en afschieten. Dat nooit weer.”

Alfred van Cleef is schrijver en journalist. Meer over de familie Draganovic: www.alfredvancleef.nl

    • Alfred van Cleef