De 'Gijsbrecht van Amstel' is terug

Vondels Gijsbrecht van Amstel is weer te zien, en niet als een ‘stoffig monster’ vol doodslag en dreunende alexandrijnen.

Amsterdam, 22-11-2011. Beeld uit de voorstelling "Gijsbrecht van Aemstel" van Joost van den Vondel, bij het Toneel Speelt. Regie Jaap Spijkers met o.a. Carine Crutzen en Mark Rietman. Foto Leo van Velzen.

Het is de Nederlandse tragedie der tragedies, Vondels Gijsbrecht van Amstel. De ondergang van Amsterdam, de teloorgang van het trotse stadhuis, moord en verkrachting tijdens kerstnacht in het Clarissenklooster en het ruïneren van de Nieuwe Kerk. En daartegenover staat de oprechte trouw tussen man en vrouw, tussen titelheld Gijsbrecht en eega Badeloch.

Maar er is meer: de Gijsbrecht creëerde zijn eigen toneeltraditie. Sinds de première in de Amsterdamse Stadsschouwburg op 3 januari 1638 is het nagenoeg zonder enige onderbreking tot 1968 opgevoerd. Daarna braken nieuwe toneeltijden aan, waarin voor de Gysbreght van Aemstel, zoals de officiële naam luidt, geen plek meer was.

Regisseur Jaap Spijkers blaast op uitnodiging van artistiek leider Ronald Klamer van Het Toneel Speelt de eeuwenoude traditie nu nieuw leven in, met Mark Rietman als Gijsbrecht en Carine Crutzen als Badeloch. Hoewel het toneelstuk volgens Klamer de naam heeft „museaal” te zijn, acht hij het een spannend, schitterend verteld verhaal. Bovendien heeft Klamer aan dichter en schrijver Willem Jan Otten gevraagd nieuwe reien te schrijven, die worden voorgedragen door actrice Marisa van Eyle. Eén rei is behouden gebleven, de befaamde „Waar werd oprechter trouw...”

Toch zegt Spijkers dat hij tijdens de eerste lezing van zijn acteurs vragende blikken kreeg toegeworpen: „Wat moeten we met dit stoffige monster?” Spijkers aarzelde bij de uitnodiging. „Ik heb altijd gedacht dat het een zes uur durend heldenepos was, maar zes uur duurt het niet en een heldenstuk is het evenmin. Meteen aan het begin is duidelijk dat veldheer Gijsbrecht gaat verliezen. Bij de fameuze woorden „Het hemelse gerecht heeft zich ten lange leste/ Erbarremt over mij en mijn benauwde veste” is het schip van de vijand – de Haarlemmers en Waterlanders – al binnen de wallen van Amsterdam. Er valt niets meer te redden.”

Het gezelschap repeteert in een voormalig kerkgebouw aan de Amsterdamse Wittenkade. „Nu zijn we bij de Gijsbrechtjes thuis”, zegt Spijkers. Het is Kerstavond, hartje winter, steenkoud. Spijkers richt met zijn acteurs de aandacht op het „taalharnas” van Vondel, zoals hij het noemt. Hij zegt, terwijl hij tussen de spelers door over de vloer loopt: „Het is de kunst de alexandrijnen open te breken, het mag nooit een dreun worden van een surprisegedicht. Dat betekent dat je niet in regels moet denken, maar in grotere tekstblokken. Probeer ook het accent op de rijmwoorden te voorkomen.”

In het derde bedrijf vertelt Badeloch over haar nachtmerrie dat haar nicht, Clarisse Machteld, wordt verkracht. Gijsbrecht probeert haar angst te sussen: hij slaat zijn armen om haar heen. „Het is een scène die een sterk hedendaags levensgevoel uitdrukt”, geeft Spijkers als aanwijzing. „Denk aan Harold Pinter: de vrouw moet haar man bekennen dat ze zijn auto heeft geleend, maar helaas, ze is tegen een boom gereden.”

Het opvoeren van de Gijsbrecht beschouwt Klamer als een taak van zijn gezelschap, Het Toneel Speelt, dat hij in 1996 oprichtte met regisseur Hans Croiset. De laatste heeft meer dan tien tragedies van Vondel geënsceneerd, waaronder de Gijsbrecht bij het Nationale Toneel op Kerstavond van 1988. Klamer: „Het boeiende van de Gijsbrecht is dat het bijna drie eeuwen Nederlandse toneelgeschiedenis weerspiegelt, van de klassieke Franse speelstijl via de Nederlandsche Comedie tot hedendaagse regisseurs. Wij brengen het drama niet uit wegens traditiedwang, maar omdat Vondel een geweldig verhaal vertelt, en omdat zijn taal zo rijk en mooi is. Wat mij opvalt aan Vondel is de zinnelijkheid van zijn taal, hij weet de ziel van de toeschouwer te raken. Het is pure poëzie. Willem Jan Otten schreef de nieuwe reien met diezelfde zinnelijkheid.”

De keuze voor Rietman en Crutzen is volgens Klamer ingegeven door de „onverzettelijkheid van de een en de sensualiteit van de ander”. De nachtmerriescène is volgens Carine Crutzen wezenlijk voor het stuk. „Bij eerste lezing vond ik de Gijsbrecht een mannenstuk met militair gedoe, geweld, verkrachtingen, een gruwelijke moord op bisschop Gozewijn. Allemaal grote lijnen en grootse gebeurtenissen. Maar in de scène tussen Gijsbrecht en Badeloch staat alles stil en zoomt Vondel in op huiselijke liefde in een intieme entourage. Zij zijn herkenbare mensen. Ik houd van het spreken in verzen. We willen de klankkleur daarvan behouden. Als het stuk begint dan moeten de toeschouwers als het ware hun oren wegdraaien van het Leidseplein en het rumoer, en luisteren naar Vondels taal.”

Ook Mark Rietman dacht aanvankelijk dat hij Gijsbrecht als een heroïsche veldheer moest spelen. „Maar in in het begin is alles al verloren”, zegt hij. „Gijsbrecht lijdt aan overmoed. Ik denk dan aan iemand als voetbaltrainer Louis van Gaal. Zo’n veldheer die aldoor leeft in een overwinningsroes maar iedereen weet dat hij alles heeft verloren. Ook Gijsbrecht geeft niet op, al gaat zijn Amstelland ten onder. Ik denk dat ik weet hoe ik de eerste woorden, over de „benarde veste”, ga uitspreken bij opkomst: in een soort vermoeide euforie.”

Gijsbrecht van Amstel door Het Toneel Speelt. Regie: Jaap Spijkers. Première: 1/1 Stadsschouwburg, Amsterdam. Tournee t/m 18/2. Inl: hettoneelspeelt.nl