Antistof blijft langer leven door mutatie

Met een verandering van slechts één aminozuur in de lange eiwitstaart van een antilichaam blijkt deze antistof veel langer in het lichaam te overleven. Dankzij de mutatie wordt het antilichaam herkend door een recycle-enzym in lichaamscellen en wordt het niet afgebroken zoals alle andere eiwitten. Dat ontdekten wetenschappers van het Amsterdamse instituut voor bloedonderzoek Sanquin in samenwerking met academische collega’s uit Amsterdam, Utrecht en Oslo. Door de langere levensduur wordt het mogelijk het immunoglobuline IgE3 in te zetten als medicijn (Nature Communications, 18 december).

Met zogeheten monoklonale antilichamen kunnen allerhande ziektes behandeld worden zoals reuma en verschillende vormen van kanker. Noodgedwongen gebruikten farmaceutische bedrijven hiervoor altijd IgE1-antilichamen, omdat die lang actief blijven in het lichaam. IgE3-antilichamen zijn veel effectiever, omdat zij sterker binden aan hun doel en omdat ze bovendien ook een ander deel van het immuunsysteem mobiliseren. Maar behandeling van patiënten met IgE3 was geen succes omdat dit type antilichaam een zeer korte halfwaardetijd bleek te hebben. IgE3 heeft een langere staart dan IgE1 en dat werd tot voor kort gezien als de oorzaak van de snelle afbraak van IgE3.

Maar nu blijkt dat het ligt aan het aminozuur arginine dat IgE3 heeft op de plaats waar alle andere antistoffen histidine hebben. De onderzoekers ontdekten dat als zij dit veranderden, IgE3 bij muizen even lang in het bloed aanwezig bleef als IgE1. In een proef waar muizen werden besmet met pneumokokken bleek IgE3 heel goed te helpen de bacteriën op te ruimen. De onderzoekers hebben octrooi aangevraagd op hun vinding en willen nu gaan experimenteren met IgE3 tegen kanker.

Sander Voormolen

    • Sander Voormolen